fbpx

Er was eens een lelijk eendje dat woonde in een huis. In het huis stond de deur altijd open en ’s zomers ook de ramen. Iedereen was altijd welkom in het huis. Het eendje had voor iedereen een luisterend oor en had een boterham voor iedereen. Totdat er steeds meer andere eendjes kwamen.

Deze eendjes waren niet muisgrijs, zoals dit eendje, maar geel en donzig met oranje snaveltjes en oranje pootjes. Ze waren bloedmooi en dat wisten ze ook. Het lelijke eendje liet ze allemaal binnen, zonder onderscheid te maken.

Eenmaal binnengekomen namen de gele eendjes alles van waarde mee. En dat waarvan ze de waarde niet zagen, maakten ze kapot met hun prachtige knaloranje snaveltjes en vertrapten ze met hun mooie knaloranje pootjes. Het lelijke eendje bleef achter met de brokstukken.

En nog deed het eendje de deur niet dicht

Het eendje ruimde de brokstukken op, verving de noodzakelijke spulletjes die meegenomen waren en zette opnieuw de deuren open. Opnieuw kwamen de gele eendjes en ze lachten het grijze eendje uit om de domheid waarmee het de deuren en ramen weer had opengezet. Opnieuw vertrapten ze de vriendschap en de liefde die het eendje aanbood en namen de nieuwe spulletjes mee.

Het grijze eendje zag het lachen en een dikke traan parelde langs het donkergrijze snaveltje. Het eendje stuurde iedereen weg en deed alle ramen en deuren potdicht op slot. Niemand werd meer binnengelaten. Het grijze eendje werd verschrikkelijk eenzaam en huilde dikke tranen om zichzelf.

Op een dag, in het voorjaar, werd het eendje wakker en keek om zich heen. Het rook muf in het huisje en om de zon en de frisheid van het voorjaar binnen te laten zette het eendje het raam op een kiertje. De frisse lucht die binnenkwam, verjoeg de mufheid in het huis en in het hoofdje van het eendje.

Het eendje besloot daarop dat het de deur ook op een kiertje open zou zetten. Het vond dat het lang genoeg alleen was geweest en lang genoeg ook had zitten grienen om de valsheid van de gele eendjes.

Door het kiertje van de openstaande deur keek het eendje naar buiten. De gele eendjes, die inmiddels niet geel meer waren, waren druk bezig met het bouwen van nestjes. Het verenkleed van de gele donseendjes was grijs en grauw met hier en daar een groene en een blauwe veer er doorheen. Ze waren zo druk, dat ze geen oog hadden voor het grijze eendje. Het grijze eendje durfde daardoor de deur nog ietsje meer open te zetten.

Een paar dagen later keek het eendje weer door de deur naar buiten en zag een prachtige zwaan. Het eendje was onder de indruk van de zwaan en trok de stoute schoenen aan: “Hallo zwaan, ik vind je erg interessant,” zei het eendje, “zou ik misschien een eindje met je mee mogen zwemmen?”

De zwaan keek op en zag een jonge zwaan in ontwikkeling

Het verenkleed nog niet helemaal wit, maar ook niet grijs meer een oranje snavel en prachtige smokey eyes. “Dag zwaantje, dat is goed,” zei de zwaan. En het eendje schrok: de zwaan had haar een zwaantje genoemd. Was het dan geen eendje? Het keek naar zichzelf in de reflectie van een regenplas en zag wat de zwaan had gezien: een zwaan to be. Het zwaantje bloeide helemaal op door deze begroeting.

Doordat het zwaantje met de zwaan mocht meezwemmen, begon ze steeds meer te geloven in haar schoonheid en haar zelfvertrouwen groeide. Totdat de zwaan op een dag afscheid nam: “Ik vond onze zwemmerij erg leuk, maar meer is het niet. Het was maar zwemmerij. Ik moet gaan.” Het zwaantje slikte haar tranen in en zwaaide de zwaan uit. “Tot ziens,” riep ze haar zwaan die nooit haar zwaan was geweest, na.

En daarna stortte ze in. Maar inmiddels was het zwaantje zo sterk en zo vol zelfvertrouwen geraakt door de zwaan, dat ze niet lang in de put bleef zitten en op zoek ging naar een nieuwe zwaan. “Er zwemmen meer zwanen in de sloot,” dacht het zwaantje. Ze voegde de daad bij het woord en zette de deur van haar nest weer op een kier voor de volgende zwaan, die niet alleen maar wilde zwemmen. Want zo eentje was ze niet.

Pin It on Pinterest