fbpx

“Waarom ging die lift nou niet verder?” Gefrustreerd drukte ik meerdere keren op de knop van de begane grond. De lift stond stil en ging niet op of neer. De enige andere persoon in de lift was mijn collega, een man die wat kleiner was dan ik en kalend. Ik mocht hem niet. Ik kon er alleen niet goed de vinger op leggen waarom dat zo was.

“Heb je al op de noodknop gedrukt?” vroeg mijn collega.
“Ja, al een aantal keer, maar niemand reageert.”

Het was inmiddels vijf uur geweest en de meeste mensen waren al naar huis. De collega kwam wat dichterbij en ik deed onwillekeurig een stapje terug. Een rilling trok over mijn rug toen ik hem aankeek. In zijn ogen danste een lichtje dat ik niet kon plaatsen, terwijl hij naar me keek. Hij had het stapje dat ik deed gemerkt. Ik rechtte mijn schouders en ging rechtop staan zodat ik net op hem neer kon kijken.

“Misschien zijn ze al naar huis, zitten we hier de hele nacht opgescheept met elkaar”, zei hij. De angst die ik voor hem had, moet te zien zijn geweest in mijn ogen, want hij deed nog een stapje naar mij toe. Ik balde mijn vuisten en probeerde te bedenken welke technieken ik tot mijn beschikking had om hem uit te schakelen als hij mij echt zou bedreigen. “Ik zal proberen de storingsdienst te bellen”, en ik pakte mijn mobiel. Geen bereik…. Nu zakte de angst vanuit mijn ogen naar mijn hart: geen bereik betekende ook dat niemand mij kon bereiken om te vragen waar ik was.

Mijn collega had ook op zijn mobiel gekeken: “Geen bereik,” zei hij, “jij ook niet?” Ik schudde mijn hoofd. Hij keek me weer aan met die enge oogjes, een beetje samengeknepen en klein in zijn magere gezicht.

Een uur ging voorbij in stilte. Ik stond in de een hoek van de lift, hij in het midden, zijn ogen op mij gericht. Ik voelde me ontzettend ongemakkelijk en probeerde zijn blik te ontwijken door naar ongeveer alles te kijken behalve naar hem. Ik werd moe van het staan en liet mezelf op de grond zakken, maar ik liet mijn waakzaamheid niet verslappen. “Moe?” vroeg mijn collega. “Mwah, valt mee, maar als we de hele nacht hier zitten, kan ik beter mijn energie sparen,” zei ik met een grimlach. Ik was niet van plan om te laten zien dat ik eigenlijk ontzettend nodig naar de wc moest. “Je hebt gelijk”, zei hij en hij kwam naast me zitten, zijn rug tegen de wand van de lift. De mouw van zijn jasje streek langs mijn arm. Onwillekeurig rilde ik weer.

Mijn collega zat nu vlak naast me en ondanks dat hij kleiner was dan ik, wist hij zichzelf zo’n houding te geven dat hij groter leek dan hij was. Plotseling flikkerde het TL-licht en de lamp ging uit. Mijn adem stokte in mijn keel. Het was nu helemaal donker in de lift en ik zat naast een collega die ik doodeng vond. Ik drukte me nog iets verder in de hoek van de lift. Ik hoorde mijn collega opstaan en zich van mij verwijderen. Ik liet de spanning uit mijn schouders zakken, maar onmiddellijk kwam er een andere spanning voor terug: ik wist niet meer waar mijn collega zich precies bevond. Zijn schoenen maakte geen geluid op de vloer van de lift. Om te bepalen waar hij was, begon ik een gesprekje: “Gek zeg, dat het licht nu ineens uitvalt.” Mijn collega reageerde niet. “Je zou toch denken dat het noodaggregaat het zou overnemen”, probeerde ik nog eens. Geen reactie. Ik raakte nu een beetje in paniek. Waarom reageerde hij niet? Waarom ging hij niet in op mijn gesprek? “Ben je er nog?” vroeg ik, de paniek nu hoorbaar in mijn stem.

“Waar zou ik naar toe kunnen gaan?” fluisterde mijn collega plotseling in mijn oor. Zonder dat ik het gehoord had, was hij heel dichtbij gekomen. Zo alert was ik dus niet geweest. Het angstzweet brak me uit. Mijn collega was zo dichtbij dat ik zijn adem op mijn gezicht kon voelen: hij had salami gegeten tijdens de lunch, of in ieder geval iets met knoflook. Ik kroop verder in mijn hoekje. Ik durfde hem niet weg te duwen: wie weet hoe lang ik nog in de lift vast zou zitten?

“Ben je bang?” vroeg mijn collega. Het was een vraag naar de bekende weg. Hij had het allang door. Ik was doodsbang, waarom moest ik nu precies met hem in de lift vast komen te zitten? “Ik denk dat je nog niet bang genoeg bent,” zei mijn collega cryptisch, “Wie weet hoe lang we hier nog vastzitten zonder hulp. En de mogelijkheid bestaat dat de zuurstof opraakt. Daarbij is het vrijdagavond en niemand werkt dit weekend. Ze vinden ons misschien pas dinsdag na Pasen.”

“Jij bent echt van kalmerende invloed, zeg!” probeerde ik in een poging tot sarcasme. Maar mijn sarcasme was niet aan mijn collega besteed. Hij liep van mij weg, tenminste, ik rook zijn adem niet meer, dus ik vermoedde dat hij wegliep naar een ander deel van de kleine ruimte. “Ik doe niet aan kalmeren, ik spreek de waarheid,” kwam het van de andere kant van de lift. Ik schrok van de hardheid in zijn stem. Er zat geen greintje menselijkheid meer in.

“Wat doe je?” vroeg ik om het gesprek gaande te houden. Er kwam weer geen antwoord. Ik stond voorzichtig en zo zachtjes mogelijk op en schuifelde in de richting van de liftdeuren. Ik moest nog steeds plassen, maar ik besloot de aandrang zo goed mogelijk te negeren. Er moest hier toch een brandblusser hangen in de lift. Al was het maar een kleintje. Ik voelde voor me uit, om nergens tegen aan te botsen met mijn ene hand, mijn andere hand schoof langs de wand om de inham te voelen van de blusser. Als een soort blinde zonder hulphond schoof ik voorzichtig naar voren, voelde de inham waar de brandblusser moest hangen en dan…. niets. Er hing geen brandblusser. Waar was dat verdomde apparaat gebleven?

“Zoek je dit?” vroeg mijn collega en hij was weer veel te dichtbij. Ik voelde naar wat hij in zijn handen had. Waarom had hij nu de brandblusser gepakt? “Wat doe je met die blusser?” vroeg ik, een beetje beschuldigend. Misschien een beetje tè beschuldigend. “Wat wilde jij ermee doen?” kwam zijn wedervraag. Ik rook weer knoflook en voelde zijn stinkende adem op mijn wang. Nu ik weer stond, voelde ik me iets dapperder en zei: “Ga eens wat achteruit, ik vind dit niet prettig.” Maar mijn collega deed een stapje dichterbij. Ik stond vast in de hoek en kon niet weg. Ik voelde mijn spieren zich aanspannen voor iets drastisch. De adrenaline gierde door mijn lichaam. Ik hoorde het geluid van de brandblusser die door de lucht gezwaaid werd richting mijn hoofd en reageerde instinctmatig. Ik dook weg en de brandblusser schampte mijn schouder.

“Ben je al banger?” vroeg mijn collega, “Je snapt het echt niet hè? Je moet doodsbang voor mij zijn!” Mijn ademhaling ging sneller, maar ik probeerde haar te kalmeren, zodat ik mijn plek niet prijs zou geven en hem bij verrassing kon aanpakken. Mijn instinct had het overgenomen, de angst zou straks wel weer terugkomen, eerst moest ik hem uitschakelen. Mijn collega sprak niet meer. Je hoorde hem bijna luisteren. Hoe lang zou ik hem uit handen kunnen blijven? Hij moest blijven praten, dan wist ik waar hij was. “Waarom doe je dit?” vroeg ik, terwijl ik na mijn vraag maakte dat ik wegkwam van mijn plekje. De brandblusser raakte de wand van de lift met een harde kloenk. “Je hebt me in alles afgetroefd,” zei hij, “jij kreeg de promotie, jij kreeg de salarisverhoging, jij kreeg het account van die belangrijke klant. En ik werd vergeten, weggeschoven alsof ik niet al dertig jaar in dienst was.” Ik begon het te begrijpen: hij was jaloers en daarom vond ik hem zo eng. Hij keek altijd met dat groene monster in zijn ogen naar mij. Maar dat het deze vorm aan zou nemen had ik niet kunnen bedenken. Ik stond in de perfecte positie, maar ik twijfelde omdat ik medelijden met hem had. Die aarzeling zorgde ervoor dat ik geen aanval waagde en hij was inmiddels alweer van plek veranderd. Slim was hij wel.

“Wel toevallig dat de lift nu kapot gaat,” zei ik en sloop weer naar een ander plekje. “Dat is geen toeval hoor. Ik heb de noodknop onklaar gemaakt en ervoor gezorgd dat er iemand die mij gunstig gezind is bij de liftcentrale zit. Ik heb dit allemaal gepland.” Kloenk! De brandblusser miste weer doel. Dit kat-en-muisspel duurde me veel te lang. Ik wilde naar de wc, mijn blaas stond op knappen omdat ik de hele dag nog niet geweest was, en ik wilde naar huis naar mijn boeken en mijn bank. En ik wilde een douche om het vuil van me af te spoelen. Maar ik hield me stil. Hij zou toch ergens wel een keer een geluidje maken?

Plotseling klonk er van buiten de lift een luid gebonk. En toen het gierende geluid van een zaag of slijptol. Langzaam gingen de deuren open, een klein straaltje licht piepte de lift in. De lichtstraal werd steeds breder tot hij de hele lift verlichtte.

De brandweerman die de liftdeuren openmaakte, keek verschrikt naar het tafereel. Hij zag twee mensen tegenover elkaar staan, op nog geen halve meter afstand. De man had een brandblusser in zijn handen en het leek alsof hij klaar was om aan te vallen. De vrouw stond te trillen als een rietje, maar leek alert en de blik in haar ogen was hard en geconcentreerd. “Wat is hier gebeurd?” zei hij.

De opdracht: Your character gets trapped in an elevator with someone he or she is afraid of (you decide why)…

geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!