fbpx
Dit is deel 2 van 2 in de serie Grammatica

De Taalstaat over het onderwerp in de Nederlandse zinZaterdag hoorde ik op de radio bij het programma Taalstaat van Frits Spits een man die zijn hele leven heeft gewijd aan de syntaxis van het Nederlands. Syntaxis wil zeggen de zinsbouw van de Nederlandse taal. En daar is flink wat over te zeggen. Een van de belangrijkste en bekendste geleerden die zich hiervoor interesseerde is de Amerikaan Noam Chomsky.

Noam Chomsky is de grondlegger van wat taalkundigen de generatieve taalkunde noemen. Daar zal ik zeker nog een aparte blogpost aan wijden, want dat is teveel en te lastig om nu uit te leggen. Ik volsta voorlopig even met de uitleg dat deze vorm van taalkunde de grammatica met wiskundige precisie probeert te beschrijven en uitgaat van de vooronderstelling dat taalvermogen is aangeboren en daarmee dat grammatica zich afspeelt in de menselijke geest en dus het brein. Daarmee zet het zich af tegen de structuralistische taalkunde, die ervanuit gaat dat taal op systematische wijze met elkaar verbonden is. Ook hier zal ik zeker nog eens een blogpost aan wijden.

Het onderwerp van de Taalstaat

Taalkundige Hans Broekhuis, die dus in het radioprogramma te horen was, heeft zijn levenswerk gewijd aan de grammatica van het Nederlands. En met name aan de opbouw van de Nederlandse zin. Broekhuis is al sinds zijn 32e bezig met dit onderwerp en werkt sinds 2010 bij het Meertensinstituut. Nu zijn er twee dikke boeken verschenen over het Nederlandse werkwoord (dit is deel 1 en dit deel 2 beiden in pdf-vorm).

Het komt er, simpel gezegd, op neer dat het werkwoord een aantal acteurs bij zich heeft: het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Alleen het onderwerp is verplicht om aanwezig te zijn (ik reken de gebiedende wijs zinnen even niet mee). Broekhuis kwam erachter dat er veel werkwoorden zijn waarbij de acteurs rondom een werkwoord iets bijzonders doen.

Jan brak de vaas.
De vaas brak.

In de eerste zin is ‘Jan’ het onderwerp van de zin. Als we ‘Jan’ weghalen uit de zin, dan is de zin eigenlijk kapot. Syntaxis kan daar niet zo goed tegen en de andere acteur in de eerste zin, het lijdend voorwerp, neemt dan de rol van ‘Jan’ over. Je ziet dat in de tweede zin ‘de vaas’ ineens de functie van onderwerp heeft overgenomen. Kennelijk voelt het werkwoord zich zo alleen dat hij graag een onderwerp bij zich heeft. Zoals een toneel leeg is zonder spelers.

Het lijdend voorwerp heeft dus een promotie ondergaan en is onderwerp van de zin geworden. Dat heeft onder meer te maken met het overgankelijk en het onovergankelijk werkwoord. Deze twee groepen werkwoorden zijn belangrijk voor het bepalen van de aanwezigheid of afwezigheid van een lijdend voorwerp in de zin.

Een overgankelijk werkwoord kan altijd een lijdend voorwerp bij zich krijgen. Een onovergankelijk werkwoord kan zonder lijdend voorwerp. Sommige werkwoorden kunnen zowel overgankelijk als onovergankelijk zijn. Dat zie je aan het werkwoord ‘breken’ in het bovenstaande voorbeeld. Mocht je er behoefte aan hebben, hier vind je een overzicht van overgankelijke werkwoorden.

Hoe dan ook: zelfs onovergankelijke werkwoorden hebben altijd behoefte aan een onderwerp, daarom verspringt de rol van een lijdend voorwerp naar onderwerp als je dit uit de zin haalt. Of het meewerkend voorwerp dan opschuift naar lijdend voorwerp, weet ik niet. Een paar uitprobeerseltjes met de werkwoorden ‘geven’ en ‘krijgen’, werken helaas niet. Probeer maar:

Jan geeft bloemen aan zijn moeder.
Karin krijgt een moederdagcadeautje van haar dochters.

Kortom, ook al is het Nederlands een van de meest onderzochte taalsystemen van de wereld, er valt nog genoeg te onderzoeken.

Serienavigatie<< Gebiedende wijs

Pin It on Pinterest