fbpx

Katja zag de rode lichten van de bus nog net de hoek om gaan. De achterlichten staken als speldenprikjes in haar bruine ogen. Dit was de laatste bus terug naar huis en ze had hem gemist. De brunette baalde als een stekker. Hier zat ze op een busstation in de middle of nowhere en de enige lantaarnpaal die nog een beetje licht gaf, knipperde drie keer en ging toen uit. Katja keek om zich heen: waar moest ze nu naar toe? Plotseling hoorde ze voetstappen achter zich.

Katja keek om en zag een wat oudere man met een kleine teckel. De man had een lange beige regenjas aan en een pijp in zijn mond. Zijn gezicht was in het donker gehuld door de schaduw van zijn fedorahoed. Katja verzamelde al haar moed: “Meneer, ik heb net de laatste bus gemist. Is er misschien een hotel waar ik kan slapen?”
De man keek haar aan, zoog twee keer met een smakkend geluidje aan zijn pijp, zijn hand om de kop gevouwen en haalde hem toen uit zijn mond. Hij antwoordde dat er slechts één hotel was aan het einde van de straat. Katja keek in de richting van waar de man wees. “Bedankt,” zei ze. De jonge vrouw pakte haar rugzak en liep in de aangewezen richting.

Ze belde aan bij het hotel en tot haar grote opluchting ging de deur open. “Ik zoek een kamer voor de nacht, ik heb de bus gemist,” legde ze uit. “Kom binnen,” zei de man, “mijn naam is Tim en ik ben de eigenaar. Ik heb nog een kamer over.” Zijn stem klonk doorrookt en rauw. Tim ging haar voor naar de receptie en noteerde haar gegevens. Katja pinde haar overnachting en liep daarna achter de eigenaar aan naar boven. Tim had erop gestaan om haar rugzak over te nemen en Katja had het toegestaan, moe als ze was van de lange dag.

Tim opende de deur van de hotelkamer en liet Katja naar binnen. Zelf bleef hij buiten staan. Het eerste wat Katja opmerkte, was de geur. Het was de geur van schoonmaakmiddelen die niet kon verhullen dat er iets had liggen rotten. Katja hoorde een zacht gedruppel en een hol getik. Zacht getrippel van pootjes klonk overal en een ijzige windvlaag bezorgde Katja kippenvel.

Tim deed het licht aan. De pootjes schoten weg. Toen Katja’s ogen aan het licht gewend waren, keek ze de kamer rond. De muren van de kamer zagen grijs van de schimmel, het vocht droop van de muren af en in de hoek naast het bed stond een emmer die het tikkende geluid verklaarde. Katja zag nog net een dikke kale staart in een gat in de muur verdwijnen. Dat verklaarde de pootjes. Alleen de windvlaag kon zij niet plaatsen. De ramen waren dicht en de gordijnen ook. De gordijnen waren ooit mooi geweest, maar nu vielen de gaten erin en de motten vlogen erom heen. Katja wilde niet eens naar het bed kijken.

“Hier kan ik niet blijven,” zei ze resoluut. Ze draaide zich om en keek naar Tim. Hij versperde de deuropening met zijn hele lichaam. “Ik sta erop dat je blijft,” zei Tim. Zijn toon was vriendelijk, maar Katja zag in zijn ogen geen spoortje van die vriendelijkheid terug. Katja probeerde het nog eens: “Je kunt hier toch geen gasten laten logeren? Er is echt iets goed mis met deze kamer!” Tim bleef staan. “Dat heb je goed aangevoeld.”

Katja was even van haar à propos. Ze had niet verwacht dat Tim het zou toegeven. Ze herpakte zich: “Dan snap je toch wel dat ik hier niet kan slapen! Dat kun je me niet aandoen.” Plotseling knipperde het licht en de gordijnen wapperden. De temperatuur in de kamer zakte een paar graden. Katja’s nekharen gingen overeind staan en ze rilde. Tim zuchtte. “Je zult wel moeten, je bent de kamer ingelopen en je kunt er niet meer uit tot morgenochtend. Dan zal ik alles uitleggen.” Hij sloot de deur, maar deed deze niet op slot. Katja probeerde nog om eruit te komen, maar het was alsof een onzichtbare barrière voor de uitgang was opgetrokken. Ze kon er echt niet uit en Tim had haar rugzak meegenomen.

Katja was bang. Ze voelde dat er iets naar haar stond te kijken. De temperatuur zakte nog wat verder. Langzaam, behoedzaam, draaide ze zich om. Bij het raam stond een wezen: transparant, etherisch, ijselijk met koolzwarte ogen in het grijs-bleke gezicht. Ze keken elkaar aan: Katja angstig en onbeweeglijk, het wezen woede uitstralend en wapperend in een onzichtbare wind. “Hoi,” zei het wezen met holle stem. “ik ben Anja. Hoe heet jij?” En het stak een hand uit alsof ze die van Katja wilde schudden.

Katja wist niet hoe ze het had. Dit wezen dat zo woedend had geleken, stelde zich voor? Maar het was zo onverwachts, dat Katja automatisch antwoordde en zich voorstelde: “Hoi, mijn naam is Katja.” En ze zakte op de grond.

“Gaat het wel?” vroeg Anja.
“Nee, niet echt.”
“O?”
“Ja hallo, ik ben hier opgesloten in deze kamer met een… iets, dat zich voorstelt alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik ben me kapot geschrokken!”
“Sorry…,” het iets begon hartverscheurend te huilen, “ik wilde je niet bang maken,” snikte ze tussen twee uithalen door. “Maar niemand wil mijn vriendje zijn en met mij spelen.” Anja bleef huilen. Het klonk als het gieren van de wind door een leegstaand huis.

Stomverbaasd keek Katja haar aan. Het was nog een jong meisje! En ze wilde alleen maar iemand om mee te spelen. Arm kind.
“Hoe ben je gestorven, Anja?” Het meisje stopt abrupt met huilen, midden in zo’n ijselijke uithaal.
“Uit het raam gegooid door mijn broer. Kijk maar.” Anja draaide zich om. In haar achterhoofd zat een groot gapend gat. Katja begreep nu ook waar die rotte vislucht vandaan kwam.
“En wie is je broer?” vroeg Katja, hoewel ze een donkerbruin vermoeden had.
“Tim,” zei Anja.

Katja dacht na. Wat moest ze nu doen? “Zullen we een spelletje doen?” vroeg Anja. Katja knikte. De hele nacht speelden ze spelletjes met elkaar: ze deden galgje en verstoppertje waarbij Anja steeds won en ze zongen liedjes met elkaar. Toen de zon opkwam, zei Anja: “Dank je wel, Katja.” en het meisje verdween. En met haar de rottende geur, de gaten in de gordijnen en de schimmel op de muren. De kamer zag er prachtig uit.

Katja liep de kamer uit naar beneden en naar de receptie. Op de trap liep ze langs een spiegel en ze keek erin. In haar haar zat een grijze lok. Bij de receptie zat Tim. “Het was een ongeluk,” zei hij, zonder haar aan te kijken. “Ik was nog jong en Anja bleef maar zeuren. Ik kon er niet meer tegen en ik werd boos. Toen heb ik haar beetgepakt. Ik wilde haar alleen maar tegen het raam aanduwen, maar ik duwde haar erdoorheen. En toen stierf ze.”
“Mag ik mijn rugzak?” Katja’s stem was koud.
“Het was een ongeluk,” zei Tim, “en jij hebt haar rust gegeven. Jij deed wat ik niet kon. Je speelde spelletjes met haar.”
“Ik wil weg hier, geef me mijn rugzak.”
Tim gaf haar de rugzak.
Katja pakte de rugzak aan en liep naar het busstation om de eerste bus naar huis te nemen. Haar zwarte ogen spuwden vuur.

Dit is een uitwerking van een van de opdrachten in de schrijfcursussen die ik aanbied. Wil jij ook leren hoe dit moet? Of meer gespecialiseerde schrijfopdrachten krijgen naar aanleiding van een onderwerp? Kijk dan op de cursuspagina!

Loic Djim

Pin It on Pinterest