fbpx

Ik wil er toch even bij stil staan, die ene vraag van deze week. Niet om de inhoud, die ik gewoon niet kan verenigen met mijn ideeën, maar vanuit taalkundig oogpunt. Of eigenlijk, vanuit retorisch oogpunt. Alleen daarom vind ik de vraag interessant. Ik zal de vraag één keer herhalen, vanuit historisch oogpunt omdat latere lezers misschien volgend jaar niet meer weten waar het om ging deze week:

Willen jullie meer of minder Marokkanen?

De hooggeblondeerde politicus die deze vraag stelde en die ik eigenlijk gewoon niet bij naam wil noemen (fear of a name, increases fear of the thing itself – Dumbledore), deed mij op Twitter hardop de vergelijking trekken met een andere beroemde vraag:

Wollt ihr den totalen Krieg?

Net zo’n foute vraag, qua inhoud. Maar uit retorisch oogpunt gezien, zeer interessant om te bekijken, vind ik. Dus dat ga ik dan ook doen.

Het lijkt op een retorische vraag

Even in herinnering brengen: een retorische vraag is een vraag waarop eigenlijk geen antwoord wordt verwacht, omdat het antwoord bij de vraagsteller al bekend is. Het is een mededeling in de vorm van een vraag. Wikipedia zegt over de retorische vraag dat het een vraag is waar de toehoorder automatisch het antwoord uit kan afleiden en daardoor voor waarheid aanneemt wat er gesteld wordt.

Maar wat de politicus hier doet, is er een meerkeuzevraag van maken: hij vraagt of er meer of minder moeten zijn. Hij moet geweten hebben wat zijn publiek zou gaan zeggen. Mijn vader zou gezegd hebben dat deze je-weet-wel-politicus naar de bekende weg vroeg. Als het echt een retorische vraag zou zijn, dan zou de politicus het woordje “meer” hebben moeten weglaten. Doordat hij dat niet gedaan heeft, lijkt hij een echte vraag te stellen. Daarmee neemt hij de schuld bij zichzelf weg. Hij kan nu aangeven dat hij enkel een vraag stelde en niet verantwoordelijk is voor het antwoord van zijn publiek.

Daarnaast spreekt de politicus ook zijn publiek aan door het woord jullie te gebruiken. Hij lijkt dus echt een antwoord te willen hebben. Wat de aanspreking en de retorische vraag versterkt, is de dubitatie: het opzettelijk twijfelen aan het antwoord van het publiek door het woordje meer in de vraag te stoppen. Officieel richt de dubitatie zich op de spreker zelf, maar het is handig verpakt: hij lijkt te twijfelen of hij de uitgestippelde koers verder in moet zetten. Door zijn antwoord op het scanderen (dat gaan we regelen) lijkt hij de zekerheid terug te pakken. Hij lijkt zich door het scanderen gesterkt te voelen in de ingeslagen route.

Hij die niet genoemd mag worden op mijn blog, heeft door deze ene vraag te stellen gebruik gemaakt van nog een vierde retorisch stijlmiddel, maar dat is misschien te hoog gegrepen voor sommige stemmers: de allusie op de tweede vraag die ik in dit blog noemde. De steller van deze vraag was ene meneer G. die de man met het foute snorretje terzijde stond als minister van propaganda, zo’n zeventig jaar geleden. Wellicht is deze allusie onbedoeld geweest, maar het resoneerde bij mij wel en getuige de vele krantenberichten ook bij anderen. Misschien heeft de politicus de allusie doelbewust erin gezet. Maar misschien geef ik hem teveel eer.

Kortom…

Door de retorische middelen aanspreking, allusie, dubitatie en retorische vraag te gebruiken, heeft de politicus een vraag gesteld waarbij hij na afloop zijn handen in onschuld kan wassen.

geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!