fbpx

Het telefoontje liet rechercheur Hartman niet los. Het was een anoniem telefoontje geweest over een privé-kliniek in de stad waar veel mensen op onverklaarbare wijze stierven. De stem was onmiskenbaar een vrouwenstem geweest. Dat had het gefluister niet kunnen verhullen. Hartman legde het opnameformulier op de stapel en keerde met zijn gedachten terug naar een andere zaak die niet opgelost was. Het ging om een zwerver die dood in de straat had gelegen: uit de autopsie bleek dat de man geopereerd was en dat alle organen verdwenen waren. Hoe had een zwerver een operatie kunnen betalen? Het litteken was namelijk nog vers. Het liet de rechercheur niet los. En nu dat geheimzinnige telefoontje over een kliniek waar veel mensen op de operatietafel stierven. Zou het met elkaar te maken hebben? “Ik moest er maar eens gaan kijken,” dacht hij bij zichzelf.

“Klem!”
“Klem.”

Ik zette de klem op de bloedende aorta in de hoop het bloeden te stoppen. Miranda, de operatieassistente, naast me was kundig en efficiënt. Met een koelbloedigheid die je mag verwachten van een vrouw die de vijftig al gepasseerd was, gaf ze me de apparaten aan die ik nodig had om de patiënt die dood lag te bloeden op mijn operatietafel te redden. Maar het was te laat. De man was dood.

“Tijdstip van overlijden: 11.36.” Met dezelfde koele efficiëntie trok de assistente het laken over het lijk. De verpleegkundigen die het lijk aflegden, kwamen binnen en namen hem mee naar de koelcellen van het mortuarium.

Ik boende mezelf schoon en de handschoenen, het schort en operatiemutsje en mondkapje gooide ik in de prullenbak. Ik maakte me op om de droeve boodschap te brengen bij de wachtende vrouw en kinderen.

De familie van de man die onder mijn handen was overleden, was in shock. Ze huilden en wilden hem zien. Ik zei hen dat dit nu nog even niet kon, maar dat ze later bij hem mochten. Hun verdriet was oprecht, maar het deed me weinig. Ik kon het me niet permitteren om emotioneel te worden. Het ging tenslotte om mijn verslaving.

’s Avonds keerde ik terug naar het mortuarium. Ik had mijn scalpel bij me zodat ik de man van die middag nogmaals kon opereren. Dit keer om de buik open te snijden en de organen eruit te halen. De incisie maakte ik precies op de plek waar ik hem die middag ook gemaakt had. Ik deed de organen in de koelbox die ik had meegebracht, naaide de buik netjes dicht en vertrok. Ik kon weer even verder en niemand zou er iets van merken.

Maar ik moest meer. Een paar weken later kreeg ik een vrouw op mijn operatietafel. Zij wilde een liposuctie en haar buik strak laten trekken. Een simpele operatie. Ik zette de liposuctiemachine aan en liet het apparaat zijn gang gaan. Nadat het apparaat klaar was, trok ik het vel van de vrouw strak en maakte een nieuwe navel. Precies volgens de nieuwste technieken.

Toen de vrouw wakker werd, voelde ze zich niet goed en werd steeds slechter. Ze moest opnieuw de operatietafel op een week later. Er was niets aan te doen en dat wist ik: de liposuctie had ik laten mislukken. Ik had teveel vet afgezogen, waardoor de organen niet meer werkten. Het nierfalen ging over in leverfalen en uiteindelijk hartfalen. Ik probeerde haar nog te reanimeren, maar het mocht niet baten. De vrouw overleed onder mijn handen. “Ze zou in ieder geval slank de kist ingaan en geen al te zware last zijn voor de dragers,” dacht ik bij mezelf. De familie stond ik te woord, ik deed of ik diep bedroefd was, verzon een zeer zeldzame aandoening die soms optreed na een liposuctie en liet de familie bij het lijk kijken.

’s Avonds keerde ik weer terug, sneed de vrouw opnieuw open op het eerder gemaakte litteken en haalde de organen weer uit het lichaam, stopte ze in de inmiddels lege koelbox en maakte het lijk weer dicht. Met een volle koelbox vertrok ik uit het mortuarium.

Thuisgekomen haalde ik de organen uit de koelbox en stopte ze in de vriezer in de kelder. Ik maakte de box schoon en zette hem klaar voor de volgende keer, waarvan ik zeker wist dat die zou komen. Ik bleef nog even in mijn kelder hangen. Ik keek naar de organen en stelde mezelf voor hoe ik het hart door mijn vingers liet glijden, het levenssap druppend op de grond. Ik hield me in. Ik moest me beheersen, want ik kon me niet veroorloven dat er bloed op de grond zou druppen. Met de huidige opsporingstechnieken zou dat duidelijk zichtbaar blijven, hoe goed ik het ook schoon zou maken.

Ik moest ook nadenken over Miranda, mijn operatieassistente. Ze begon een beetje vreemd naar me te kijken. Angst en walging stonden op haar gezicht te lezen als ze me moest assisteren. Ze was dan wel koelbloedig en efficiënt, het lukte haar niet om haar gevoelens afdoende te verbergen op haar gezicht. Misschien was ik iets te laks geworden, waren er iets teveel mensen onder mijn handen gestorven op de operatietafel de laatste tijd. Ik moest voorzichtiger worden. Mijn verslaving begon de overhand te krijgen, waardoor ik roekelozer werd. Ze mocht me niet op fouten betrappen, dan zou ik hangen. Misschien moest zij de volgende worden. Ik piekerde nog wat door over het probleem en besloot dat de operatieassistente mijn volgende slachtoffer zou zijn. Ik moest het wel heel zorgvuldig plannen. En het moest iets zijn waarbij ze bij mij op de operatietafel zou terechtkomen aangezien ik cosmetisch chirurg ben.

De keuze was snel gemaakt. Tijdens het jaarlijkse uitje van de kliniek zouden we gaan barbecuen. Ik zorgde ervoor dat ik degene was die de barbecue zou aansteken en dat zij me zou helpen. Van tevoren had ik gezorgd dat Miranda al flink aangeschoten zou zijn, zodat ze minder argwaan zou hebben. Toen ik haar de fles spiritus gaf om het vuur aan te wakkeren, nam ze die zonder te kijken aan en goot het licht ontvlambare spul op de gloeiende kolen. De steekvlam die ontstond was precies goed: de huid op haar gezicht liep flinke brandwonden op. Precies genoeg om wat plastische chirurgie nodig te hebben. Zonder ook maar een greintje blijdschap te laten zien, schreeuwde ik om hulp. Mijn collega’s kwamen naar buiten rennen, terwijl ik al bezig was om de wond te koelen met een fles water die er stond. Miranda had het bewustzijn verloren en daardoor kon ik haar makkelijker naar de keuken dragen, waar ik nog meer kraanwater op de wond liet stromen. De ambulance kwam en vervoerde haar naar de kliniek. Precies waar ik haar hebben wilde.

Ik had gezorgd dat ik geen druppel had gedronken, in tegenstelling tot mijn collega’s, zodat ik de enige was die de operatie kon uitvoeren. Ik zorgde er ook voor, dat er een assistent naast me stond die nog niet zoveel ervaring had. Jan keek met grote ogen toe hoe Miranda, zijn mentor op de afdeling, onder mijn kundige handen een nieuw laagje vel op haar gezicht kreeg. Ik had het vel weggesneden van haar buik zodat ik daar later een nieuwe incisie zou kunnen maken. Toen Jan zich even wegdraaide van de tafel, goot ik 0,30 gram digoxine in de wond op het gezicht van Miranda. Als digoxine in het bloed wordt opgenomen, dan zorgt het ervoor dat het hart trager gaat kloppen en uiteindelijk stopt. Het is niet te traceren omdat het vaak gebruikt wordt bij hartfalen. Ik had het goed voorbereid, want ik wist dat Miranda al tabletten slikte tegen hartritmestoornissen.

De monitor begon te piepen bij het dalen van de hartslag. Ik deed alsof ik schrok en probeerde Miranda te reanimeren. Het mocht helaas niet baten.

“Tijdstip van overlijden: 19.17,” zei ik met een goed gespeelde brok in mijn keel.

Miranda’s lichaam werd afgelegd en opgebaard door huilende verpleegkundigen. Ik wist niet dat zij zo geliefd was geweest bij het personeel. Desondanks zou ik ’s avonds toch teruggaan om haar organen te oogsten. Ik moest mijn verslaving toch in stand houden.

Toen ik ’s avonds met mijn koelbox bij het mortuarium kwam, zaten daar nog steeds verpleegkundigen te rouwen. Daar had ik niet op gerekend. Ik stuurde ze weg, onder het mom dat ik even alleen met haar wilde zijn. De verpleegkundigen keken op en knikten. Ze wisten dat ik vaak met haar had samengewerkt. Ze wilden me niet in de weg zitten. Ik opende de koelcel waar Miranda lag en haalde de organen uit haar lichaam. De koelbox nam ik weer vol mee terug.

Thuis herhaalde zich mijn ritueel: ik pakte het hart, kneedde het met mijn vingers die onder het bloed kwamen te zitten. Ik rook eraan, keek ernaar en hield het tegen mijn wang. Het bloed druppelde over mijn vingers, kleren en ik raakte opgewonden van de geur van het dode vlees. Ik kon niet meer zonder. Ik nam het hart mee naar boven en ging in bad zitten. Het water stroomde over mijn borsten, vermengd met het nog altijd druppende hart. Het bloed was donkerrood op mijn tepels en ik drukte het hart tegen mijn lippen. Ik kwam steeds meer onder het bloed te zitten. De ijzerachtige geur drong dieper in mijn neusgaten en ik genoot er intens van.

Daarna spoelde ik mezelf af in de douche, waste mijn haren en trok mijn ochtendjas aan. Het hart stopte ik terug in de vriezer en ik ging op de bank zitten en las de krant.

De volgende dag op kantoor kwam mijn assistente Vera binnen. “Er is een rechercheur Hartman voor u, mevrouw de Boer,” zei Vera. Ik ging rechtop zitten. “Heeft hij een afspraak?” vroeg ik streng. Vera schudde haar hoofd en zei: “Hij staat erop met u te spreken.” Ik gebaarde dat Vera de rechercheur kon binnenlaten. Een rechercheur laat je niet wachten.

Rechercheur Hartman excuseerde zich voor zijn onaangekondigde bezoek. Terwijl ik zijn excuus minzaam accepteerde, werkte mijn hersenen als een bezetene. Ik vroeg me af wat hij hier kwam doen, wat en hoeveel hij wist als hij al iets wist en hoe snel ik hem weer uit mijn kantoor kon krijgen. Hartman ging tegenover me zitten en keek me aan. Iets in mijn gezicht moet hem hebben opgevallen.

“Bent u zenuwachtig?” vroeg hij.
“Hoe komt u daarbij?”
“Uw ogen schieten heen en weer, alsof u niet weet waar u moet kijken.”
“Oh. Dat komt omdat u zo’n knappe verschijning bent.” blufte ik.

Iemand die je voor het eerst ziet, noem je niet gelijk knap. Maar leer mij mannen kennen: ik wist dat ik zelf ook als mooi te boek stond en een mooie vrouw die een mooie man knap noemt, dat doet iets met zijn ijdelheid. Ik zag dat ik doel getroffen had, de rechercheur leek even van zijn stuk gebracht. Hij herstelde zich echter snel en herpakte de draad van het gesprek.

“Er zijn wat zorgen ontstaan over deze privé-kliniek. De laatste tijd zijn er flink wat patiënten gestorven op uw operatietafel. Kunt u daar iets over vertellen?”

Ik keek hem aan. “Heeft u specifieke gevallen in gedachten?” vroeg ik. Hartman pakte een blaadje uit zijn opschrijfboekje en las voor:

“Een man met een bloedende aorta, een vrouw met liposuctie en buikwandcorrectie, uw assistente Miranda en dat zijn slechts de gevallen van de laatste twee maanden.”

Nu was het zijn beurt om mij aan te kijken. Ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden. “Louter toeval,” zei ik, “De bloedende aorta was een zwakke aderwand, de liposuctie was een zeer zeldzame aandoening die mij onbekend was en de brandwond kreeg hartfalen op de operatietafel. Reanimatie lukte niet meer.”

“Spreekt u altijd over de aandoening in plaats van over mensen?” vroeg de rechercheur enigszins geschokt.
“Het houdt me gezond,” zei ik.

Een klop op de deur kondigde mijn volgende patiënt aan. Ik stond op en Hartman volgde. Bij de deur gaf ik hem een hand en wenste hem succes met het onderzoek.

Rechercheur Hartman was niet in de war. Dokter de Boer had hem vriendelijk maar beslist de deur gewezen. Hij liet het gesprek de revue passeren in zijn hoofd. Hij was oprecht geschokt geweest door de manier waarop deze vrouw over haar patiënten sprak. Dat ze hem knap had genoemd, deed hem weinig: vrouwen probeerden wel meer om hem van zijn à propos te brengen door hem knap te noemen. Dat deden ze alleen omdat ze iets te verbergen hadden. Hij wist inmiddels goed te spelen dat hij daardoor verbouwereerd was. Het hielp bij het onderzoek. Het gaf zijn verdachten een vals gevoel van veiligheid. Precies waar hij naar op zoek was. En deze verdachte was er een van een uitzonderlijk kaliber.

Hij ging door met zijn onderzoek. De operatieassistente kon hij geen vragen meer stellen. Maar iemand moest geholpen hebben bij de operatie op Miranda zelf. Hartman liep naar de receptie en vroeg naar de afdeling waar operaties werden ingepland, zodat hij daar kon vragen wie er geassisteerd had. Eenmaal op de afdeling kreeg hij het antwoord snel. Iedereen wist zich het ongeval nog goed te herinneren. Miranda had spiritus op de barbecue gegooid. Alleen dokter de Boer was daarbij aanwezig geweest en Jan had uiteindelijk geassisteerd bij de operatie.

Natuurlijk vlogen de roddels over de afdeling. Miranda was namelijk een slimme vrouw en zou nooit spiritus bij de gloeiende kolen gooien, maar ze was wel flink aangeschoten geweest. Misschien had ze het niet meer in de gaten. Dat dokter de Boer erbij was geweest, gaf ook te denken. En dat zij de enige was die nuchter genoeg was geweest om de brandwond te behandelen was ook vreemd. Maar dat mochten ze eigenlijk niet denken, want dat was niet netjes en ze moesten toch om hun baan denken want de economie was moeilijk.

De rechercheur vroeg waar hij Jan kon vinden en bedankte de dames van de planning voor hun eerlijkheid. Daarna ging hij op zoek naar Jan.

Jan schrok toen Hartman zich identificeerde. Hartman keek Jan aan en zag dat de jongeman wel wist waar het om ging. “Kun je me iets vertellen over de operatie op Miranda?” vroeg Hartman.

“Ja,” zei Jan, “maar niet hier. Loop maar even mee.” Samen liepen ze naar een cafe aan de overkant van de straat. “Ik was bij de operatie,” zei Jan zonder verdere inleiding, “Ik had me even omgedraaid om iets weg te leggen en toen daalde Miranda’s hartslag enorm snel.”

“Heb je gezien waardoor het kwam?”
“Nee, ik heb niets gezien, maar ik zag dat de dokter er niet van schrok. Dat vond ik raar. Ze hadden altijd samengewerkt.”
“Wat vind je van dokter de Boer?”

Jan vertelde dat hij de dokter bewonderde om haar kundigheid, maar dat ze toch wel wat vreemde trekjes had. Hij wist dat ze alleen woonde, maar verder wist hij eigenlijk weinig tot niets van haar. Hartman bedankte hem en betaalde voor de koffie die ze hadden gedronken.

De bel ging. Het was avond en ik had net mijn eten op: gepaneerde lever uit de vriezer met aardappeltjes en paté van niertjes ook uit mijn vriezer. Ik opende de deur en daar stond Hartman. Ik liet hem binnen in mijn kamer en gebaarde hem te gaan zitten, terwijl ik koffie zette en de boel afruimde. Met twee koppen koffie liep ik de kamer in en ging op dezelfde bank zitten.

“Wacht, er zit iets op je mondhoek,” zei Hartman onverwacht teder. Hij pakte een zakdoek en poetste mijn mondhoek schoon, stopte de doek in zijn jaszak en bleef zitten waar hij zat, dichtbij me op de bank. Ik werd er toch wel een beetje ongemakkelijk van, zo’n knappe man zo vlak naast me op de bank. Hoe lang was het geleden? Te lang, dacht ik.

Toen riep ik mijzelf krachtig tot de orde: “Houd je kop erbij, Wies, die man is een rechercheur die je verdenkt van de dingen die je gedaan hebt.”

Hartman bleef me aankijken. Ik moest mijn gezicht in de plooi houden. “Kan ik iets voor je doen?”

“Niets, ik wilde alleen eens zien hoe je woont. Mag ik een rondleiding?”

Hoe doorzichtig, dacht ik. Maar de charmes van de man waren onweerstaanbaar. De lachrimpels naast zijn ogen, zijn schouderlange haar in een staart gebonden. De strakke spijkerbroek. Ik keek hem aan en glimlachte. “Natuurlijk,” zei ik.

Ik begon in de keuken, woonkamer en daarna liep ik naar de slaapkamer en de badkamer. Ik eindigde bewust in de gang met de deur naar buiten. “Wat zit er achter deze deur?” vroeg hij.

“Dat is de kelder,” zei ik zo achteloos mogelijk, “er is daar niets te zien.” Hij duwde de deur open en liep naar binnen. “Het licht doet het niet,” zei hij, terwijl hij het knopje induwde. Hij pakte zijn zaklamp, draaide hem aan en scheen naar binnen. “Wat een grote vriezer voor zo’n klein vrouwtje,” zei hij. Ik glimlachte halfslachtig. Hij scheen met de zaklamp op de vloer voor zich. “Wat is dat?” vroeg hij, het licht scheen op de vlekken op de vloer. “Verf,” antwoordde ik.
Hartman boog zich voorover, haalde zijn vinger langs de vlekken op de vloer, die glommen in het licht van de zaklamp. Hij hield zijn vinger tegen zijn tong en proefde. Bloed. Hij opende mijn vrieskist en zag daar mijn collectie harten, levers, nieren en andere organen die ik had geoogst.

“Dokter de Boer,” zei hij formeel, “u staat onder arrest voor de verdenking van moord op meerdere patiënten die onder uw hoede waren. U heeft het recht om te zwijgen. Alles wat u zegt kan en zal tegen u gebruikt worden bij een eventuele rechtszaak.”

De stem van de rechercheur verdween naar de achtergrond. Ik schrok. Wat een rare conclusie. Alleen vanwege een beetje vlekken op de grond? Blijkbaar wist Hartman meer. Mijn armen werden op mijn rug gebonden en ik moest mee naar het bureau. Daar werd ik geconfronteerd met alle bewijzen die ze verzameld hadden. De stem van de anonieme melding herkende ik meteen: die was van Miranda. De trut had me verraden. Ik had dus toch gelijk gehad. De vragen van Hartman spoelden over me heen. Het licht was hard en direct en koud. Zo anders dan bij mij thuis: zacht en omfloerst en warm. Het deed pijn aan mijn ogen. Ik kon me niet concentreren op de vragen. Ik had toch niets fout gedaan? Anders zouden de organen toch maar weggegooid worden. De lijken hadden geen donorcodicil.

Hartman bleef zijn vragen herhalen en me confronteren met de bewijslast. De zakdoek waarmee hij zo teder mijn mondhoek had schoongemaakt, was onderzocht: er bleek DNA van Miranda in te zitten.

“Waarom heeft u dit gedaan?”
“Ik kon niet anders,” zei ik. “Ik ben verslaafd aan het eten van mensenvlees. Ik ben kannibaal.”

Hartman liep de verhoorkamer uit naar de toiletten. Daar leegde hij zijn maaginhoud in een toilet. Hij liep weer terug naar de kamer. De dokter zat nog altijd in haar stoel. Alsof ze niet bewogen had. “En,” zei ze, “kun je me je maaginhoud beschrijven?” vroeg ze. Een ding wist Hartman zeker. Deze vrouw mocht nooit meer vrijkomen. Daar zou hij voor zorgen.

I do wish we could chat longer, but… I’m having an old friend for dinner. Bye. – Hannibal Lecter in Silence of the lambs

Dit was mijn bijdrage voor de verhalenwedstrijd van Letterrijn. Het thema was Criminal minds. Helaas heb ik de longlist niet gehaald, maar het voordeel is dat ik dit verhaal met jullie kan delen. Ik ben benieuwd wat jullie ervan vinden! Laat je het even weten om de reacties?

geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!