fbpx

Twee weken geleden kondigde ik de grammatica van het Nederlands aan. Na lang en wijs beraad heb ik ervoor gekozen om te beginnen met de redekundige ontleding van de grammatica. En ik start met het allereerste begin: de persoonsvorm, daarna zal ik zinsdelen uitleggen.

De persoonsvorm is een bijzondere vorm van het werkwoord

Het geeft namelijk aan wat er gebeurt in een zin. De persoonsvorm is om verschillende redenen handig: ten eerste om de zin in zinsdelen te verdelen (verderop meer hierover), ten tweede om te zien of eréén of meerdere mensen betrokken zijn bij de actie en ten derde om te zien wanneer de handeling heeft plaatsgevonden.

De persoonsvorm kun je op drie manieren vinden:

  1. Door er een ja/nee-vraag van te maken;
  2. Door het getal van de zin te veranderen;
  3. Door de tijd van de zin te veranderen.

Een voorbeeld:

Het bestaan van de witte dwergster wordt afgeleid uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.

Ja, ik schat jullie hoog in. Drie manieren om de persoonsvorm te vinden, dus.

  1. Wordt het bestaan van de witte dwergster afgeleid uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster?
  2. Witte dwergsterren worden afgeleid uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.
  3. Het bestaan van de witte dwergster werd afgeleid uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.

Zoals je ziet hebben we een aantal veranderingen gezien in de zin: in de eerste zin komt wordt naar voren, in de tweede en derde zin verandert wordt naar worden of werd.

De persoonsvorm in deze zin is dus wordt.

De afspraak is dat de persoonsvorm gelijk is aan een zinsdeel

Een zinsdeel kun je zien als een stukje van de taart. De hele taart is dan de gehele zin. Om ervoor te zorgen dat je verderop in de redekundige ontleding de juiste stukken zin benoemt, moet je de zinsdelen kunnen benoemen. Een zinsdeel is dat stukje zin dat je in zijn geheel voor de persoonsvorm kunt plaatsen. Dat stukje zin moet dan wel zo groot mogelijk zijn, zonder dat je de betekenis van de zin verandert.

Eerst maar een klein voorbeeld, daarna pak ik bovenstaande voorbeeld zin aan.

Hij loopt naar school.

We zoeken de persoonsvorm:

  1. Loopt hij naar school?
  2. Wij lopen naar school.
  3. Hij liep naar school.

We hebben nu dus naast de persoonsvorm ook gelijk het eerste zinsdeel gevonden: loopt. Nu ga ik verder met het verdelen in zinsdelen. Daarvoor ga ik de zin door elkaar schudden:

Hij loopt naar school.
Naar school loopt hij.

Je ziet dat de persoonsvorm steeds op de tweede plek in de zin staat. Omdat je niet kunt zeggen Naar loopt hij school heb ik school bij naar geplaatst. Naar school is dus ook één zinsdeel. We kunnen de zin nu als volgt indelen:

Hij | loopt | naar school.

Dan nu de grotere zin:

Het bestaan van de witte dwergster wordt afgeleid uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.

We hadden al gevonden dat de persoonsvorm wordt is. Daar kunnen we dan twee streepjes omheen zetten. En ook het tweede zinsdeel hebben we gevonden: Het bestaan van de witte dwergster. Dit past in zijn geheel voor de persoonsvorm. Nu de rest van de zin

  1. Afgeleid wordt het bestaan van de witte dwergster uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.
  2. Uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster wordt het bestaan van de witte dwergster afgeleid.

Je ziet dat de zinsdelen echt heel groot kunnen zijn. We kunnen nu de zin in zinsdelen indelen:

Het bestaan van de witte dwergster | wordt | afgeleid | uit zeer nauwgezet onderzoek aan de radiopulsjes van een neutronenster.

Deze zin bestaat dus uit vier zinsdelen, ondanks dat hij ontzettend lang is. Dit helpt ons bij het benoemen van de verschillende zinsdelen die ik behandel in de volgende blogposts over de grammatica. Volgende week zal ik het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde behandelen.

Pin It on Pinterest