fbpx

Vorige week sloot ik de redekundige ontleding af. Als het goed is zijn jullie nu een stukje wijzer geworden over de persoonsvorm, het onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bijstellingen, bepalingen en andere zinsdelen. Vandaar dat ik nu overstap naar taalkundig ontleden.

Taalkundig ontleden is het benoemen van woordsoorten

Dat betekent dat je dus steeds maar één woordje benoemt. In het afgelopen jaar dat ik dit nu doe, heb ik misschien de woorden bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord al eens laten vallen. Dit zijn termen die bij taalkundig ontleden horen. Die zal ik de komende weken bespreken.

Ik voel me ineens een echte schooljuf, maar dit terzijde.

Ik begin met het werkwoord

Het werkwoord is een actiewoord, een doewoord. Het is het woord dat de handeling in de zin aangeeft. We hebben verschillende soorten werkwoorden: hulpwerkwoorden, koppelwerkwoorden en zelfstandige werkwoorden. De koppelwerkwoorden heb ik al besproken bij het naamwoordelijk gezegde, maar ik zal ze kort herhalen: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. Een koppelwerkwoord koppelt een werkwoord aan een naamwoord. Vandaar dus de term naamwoordelijk gezegde.

Een zelfstandig werkwoord is een werkwoord dat de zin kan dragen. Sterk genoeg om de handeling vorm te geven. Denk hierbij aan tweewoordzinnetjes zoals: Ik fiets, jij loopt, zij praat, wij schreeuwen. Je hoeft niet precies te weten waar het om gaat, als je maar weet welke actie er uitgevoerd wordt. Je bent extreem nieuwsgierig als je wil weten waarom iemand praat of waar we heen lopen of fietsen. Dit is allemaal need to know. En als je de veiligheidscodes niet hebt, hoor je niet bij de groep need to know. Met andere woorden: weten dat de actie er is, is genoeg.

In een zin staat óf een zelfstandig werkwoord óf een koppelwerkwoord. Beide kunnen niet samen in de zin voorkomen. Mijn lerares Nederlands zei altijd dat twee kapiteins op één schip niet verstandig was. Ik denk dan altijd aan de scene met Jack Sparrow en Captain Barbossa in de film Pirates of the Caribbean: At world’s end waarbij ze beiden de Black Pearl gaan besturen. Dat liep niet goed af.

Het hulpwerkwoord helpt zowel koppelwerkwoord als zelfstandig werkwoord. Het kan aangeven in welke tijd iets plaatsvindt of over hoeveel personen het gaat. Het kan een wens uitdrukken of beweging. Er kan één hulpwerkwoord in de zin staan, of meer. Hulpwerkwoorden zijn vaak woorden als: hebben, zijn en worden. Steeds vaker wordt het werkwoord gaan ook als hulpwerkwoord gebruikt.

Is het je inmiddels opgevallen dat het werkwoord zijn een verschrikkelijk werkwoord is? Het kan zowel zelfstandig werkwoord als koppelwerkwoord als hulpwerkwoord zijn. Het is dus oppassen geblazen met deze kameleon!

  1. Hij heeft zijn best gedaan.
  2. Het zou hem moeten kunnen lukken.
  3. Zij werd gezien als een mooie vrouw.

De eerste zin heeft maar één hulpwerkwoord, namelijk heeft. Het geeft aan dat het om één persoon gaat en dat de actie voltooid is in combinatie met het tweede werkwoord doen dat hier in voltooide tijd verschijnt.

De tweede zin heeft heel veel hulpwerkwoorden: zou moeten kunnen. Het klopt dat ik deze niet heb genoemd in het rijtje met hulpwerkwoorden: deze komen namelijk wat minder voor dan de reeds genoemde werkwoorden. Tegenwoordig worden deze zelfs vaak vervangen door het relatief nieuwe hulpwerkwoord gaan: Het zou hem gaan lukken. Zou is hierbij nog steeds het hulpwerkwoord dat aangeeft dat het een wens is. In de connotatie zou je kunnen zeggen dat dit zelfs een sterkere wens is dan in zin 2 gewenst wordt.

Zin 3 heeft als hulpwerkwoord werd dat ook hier het getal en de tijd van de zin aangeeft. Daarnaast geeft het ook aan dat het een passieve zin is. (In het kort: een passieve zin is een zin waarbij het lijdend voorwerp een onderwerp wordt en de handeling ondergaat.) Onder de link zit het verhaal over het gebruik van passieve en actieve zinnen in het kader van stijlkwesties.

Bijzondere vormen van het werkwoord zijn:

  • persoonsvorm: ik dans
  • voltooid deelwoord: ik heb gedanst
  • onvoltooid deelwoord: ik kwam dansend de kamer binnen
  • gebiedende wijs: Dans!
  • aanvoegende wijs: opdat men danse.

Eigenlijk wilde ik ook nog het lidwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord behandelen, maar ik zie dat ik al weer veel te uitvoerig ben geweest over het werkwoord. Die bewaar ik dan maar tot volgende week.

Pin It on Pinterest