fbpx

Het hotel was niet wat het leek. Aan de buitenkant was het een enorme bouwval: de planken leken vermolmd, de ramen smerig en het dak miste verschillende pannen. De schoorsteen was verzakt en de voordeur hing scheef in zijn scharnieren. De binnenkant van het hotel was een ander verhaal.

Als je eenmaal door de vermolmde deur was gegaan, dan kwam je binnen in een prachtige hal: de gouden kroonluchters schitterden je tegemoet, het roodfluwelen tapijt was dik en zacht en de koperen stijlen waren glimmend gepoetst. De trap naar boven had glanzend gelakte houten trapleuningen en het marmer van de spijlen was van de duurste soort. De gouden knopen op het livrei van de liftjongen glommen als de zon door het koepeldak erop scheen.

Livrei? Liftjongen? Wacht even.

Pascal keek zijn ogen uit. De rijkdom die je van buiten niet had verwacht, fonkelde, straalde en glom hem tegemoet. Maar het kon niet: het hotel was toch hartstikke oud? Aan de buitenkant leek het of het hotel in elkaar stortte, bedacht de jongeman zich, maar hier in deze hal was daar niets meer van te zien.

“Kan ik u helpen, m’neer?” Pascal schrok. De man die hem had aangesproken, was gekleed als een butler: keurig in zwart rokkostuum compleet met vlinderdas en witte handschoenen. Pascal was met stomheid geslagen. De butler bleef netjes wachten tot hij zich had hersteld. Het uitgestreken gezicht van de butler verried geen enkele emotie. “M’neer?”

“Eh, ja,” zei Pascal en hij stelde de vraag die hij zelf nooit voor mogelijk had gehouden: “In welk jaar leven we?”

Serienavigatie<< Een absurd gesprekDe dief >>

Pin It on Pinterest