fbpx

Het was de avond voor Kerstmis en heel stil in huis. Geen wezen bewoog, zelfs geen muis. De sokken hingen aan de muur bij de schoorsteen met goed fatsoen, in de hoop dat de Kerstman er iets in zou doen. Plotseling klonk er buiten een wild geraas dat snel dichterbij kwam en vervolgens in mijn huis eindigde met een keiharde vloek.

Ik schrok op uit mijn sluimer op de bank en keek op mijn Apple watch. Minder dan tien procent. Ik tikte de melding weg en keek naar de tijd. “Drie uur!” Ik stond op van de bank en keek om me heen. Waar was die vloek vandaan gekomen?

Er ruiste iets in de schoorsteen en vervolgens vielen er wat kleine steentjes met een zacht tik-tik-tik op de plaat van de open haard. “Er zit iemand vast in de schoorsteen…” Half lachend, half boos bedacht ik me dat iemand die vast zit, niet zoveel kwaad kan. “Hallo,” riep ik naar de schoorsteen, “wie is daar?”

“Ik ben de Kerstman,” riep de schoorsteen.
“Maak dat de kat wijs,” antwoordde ik.
“Nee, echt waar! Ik kwam je halen, want je staat op de naughty-lijst,” zei de schoorsteen, “maar nu zit ik vast. Wil je me losmaken?”
“En dan neem je me mee? Ik dacht het niet. Ik vind het hier veel te leuk,” zei ik en ik bedacht me dat ik dit echt meende. Ik vond mijn leven ook echt leuk het afgelopen jaar. Ondanks mijn knieblessure heb ik een onwijs gaaf jaar gehad. Een jaar waarmee ik dus kennelijk op de lijst met slechte meisjes ben beland, als ik de figuur in de schoorsteen moest geloven.

Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Ik knipperde met mijn ogen en mijn adem stokte in mijn keel. Buiten zag ik een slee staan met daarvoor een rendier met een rode glimmende neus. “Rudolf?”
“Ja,” antwoordde de schoorsteen, “dat is Rudolf. Die bestaat ook echt. Wil je me alsjeblieft helpen? Als je me niet bevrijdt, dan krijgen de kinderen geen cadeaus in hun sok of onder de kerstboom.”

Ik was me er niet van bewust dat ik hardop had gesproken. Even bleef ik staan met mijn handen op het raamkozijn, starend naar dat rode lichtgevende puntje in het donker. Wat moest ik doen? Als ik de Kerstman uit de schoorsteen zou bevrijden, moest ik mee naar de Noordpool en daar had ik helemaal niets, maar als ik hem niet zou bevrijden, als het echt de Kerstman was, dan kregen de kinderen in de wereld geen cadeautjes. Wilde ik dat op mijn geweten hebben?

“Luister,” zei ik tegen de schoorsteen, “als ik je help, dan wil ik eerst even met je praten voor je me meeneemt naar de Noordpool. Ik ga niet zomaar met vreemde mannen mee.”
De schoorsteen was even stil en zei toen: “Akkoord.” De eerste slag was voor mij.

Ik ging op mijn knieën voor de haard zitten en keek omhoog. De lichtbundel van mijn zaklamp die ik tussen mijn tanden had geklemd wierp zijn schijnsel recht omhoog en ik zag een paar rode benen bungelen in zwarte laarzen. Als ik mezelf zou uitstrekken, dan kon ik die benen pakken en de benen naar beneden trekken. De rest van het lichaam zou dan ook wel meekomen, vermoedde ik.

Ik strekte me uit, pakte de benen van de Kerstman en gaf een ferme ruk. De man in de schoorsteen kwam al een stukje naar beneden. Nog één of twee keer en dan zou hij los komen. Ik verzamelde al mijn kracht en gaf nog een flinke ruk aan de benen. Ik hoorde man vloeken. Waarschijnlijk had ik hem pijn gedaan. “Jammer dan,” dacht ik, “hij moet zonodig via de schoorsteen. Ieder normaal mens gaat via de deur naar binnen, maar deze rare kwast…”

Opnieuw klonk het ruisen van stof, een luide kraak en het scheuren van stof. Snel trok ik mijn bovenlichaam terug uit de schoorsteen. Ik was net op tijd. De Kerstman, verdomd het was echt de Kerstman, viel hard op zijn kont, zijn hoofd kwam net onder de rand van de haard uit. Groot was hij niet. Er zat een flinke scheur in zijn jasje en de schouder die daaronder zichtbaar werd, had een flinke snee die ook nog bloedde. Ik hielp de Kerstman overeind en zette hem in een stoel. “Blijf maar even zitten, ik haal even wat spullen om die wond schoon te maken.”

Ik kwam terug met de verbanddoos en een glas whiskey voor mezelf, voor de schok.
“Wil je ook wat drinken?”
“Doe mij maar hetzelfde.”

Ik gaf hem mijn glas, zette de verbanddoos op tafel en ging terug om een tweede glas te halen. Toen ik terugkwam had de Kerstman het gezellig gemaakt voor zichzelf. Hij had zijn jasje op de grond naast zich gelegd en het glas in zijn hand draaide hij een beetje rond om de whiskey een beetje te verwarmen. “Goeie shit,” zei de Kerstman.

Ik knikte. “Laat me die wond even schoonmaken,” zei ik. Ik pakte de spullen en begon het bloed weg te deppen en met wat jodium te ontsmetten. Die schouder was behoorlijk gespierd en in totaal contrast met de dikke buik die in het jasje te zien was. Ik keek vanuit mijn ooghoeken even naar de buik van de Kerstman, maar er was geen buik. Ik snapte er niets van. De Kerstman was toch een gezellige dikkerd? Waar was die buik dan gebleven?

De Kerstman wendde zijn blik niet af tijdens het schoonmaken. Ik wist dat het best pijnlijk zou zijn, maar de beste man gaf geen kik. Ik plakte een pleister en zei: “Klaar! Misschien moet je nog wel even langs de dokter voor een tetanusprik of zo.” Ik keek op en begon te lachen. “Ga je eigenlijk wel naar de dokter?”
“Jazeker wel, ik ben maar een paar dagen per jaar Kerstman. De rest van het jaar ben ik een gewone kerel met een gewone kantoorbaan. Zonder baard of grijs haar.”
“O?”
“Ja, als ik er de rest van het jaar ook als Kerstman uitzie, dan heb ik geen leven meer.”
“Maar waarom moet ik dan naar de Noordpool? Dan heb ik geen leven meer. Waarom sta ik op je naughty-lijst? Heb ik eindelijk een beetje lol, moet ik gelijk mee naar de Noordpool. Sinterklaas wilde me ook al meenemen naar Spanje. Wat is dat met mannen met grijze baarden en stoute kinderen? Bovendien ben ik een volwassen vrouw en ik sta hier een beetje ruzie te maken met de Kerstman. Waar ben ik mee bezig? Dit is vast een droom of zo, want er klopt niets van! En wat doen jullie met die kinderen die mee moeten naar Spanje of de Noordpool? Eten jullie ze op of zo?”

Als ik een fluitketel was geweest, had ik nu mijn dop eraf gefloten. Tijdens mijn tirade was zijn gezicht steeds vrolijker geworden, de lachrimpels rond zijn ogen werden steeds duidelijker en aan het einde van mijn rant was hij onbedaarlijk aan het bulderen.

“Wat!” raasde ik, “wat is er zo grappig?”
“Jij.”
“Dat is geen goed antwoord.” Ik draaide me om en liep weg naar het raam. En daar stond Rudolf nog steeds rustig te wachten tot zijn baas naar buiten kwam. Ineens voelde ik twee handen op mijn schouders. De Kerstman was achter me komen staan. In de spiegeling van het raam zag ik de witte baard, de appelwangen, de kerstmuts. Ik schudde zijn handen van me af en wurmde me tussen hem en de vensterbank uit.
“Wat wil je van me?”
De Kerstman keek me doordringend aan. “Kijk goed,” zei hij en hij deed een stap naar achter en zette zijn kerstmuts af. Voor mijn ogen veranderde zijn gezicht: de appelwangetjes werden strak, de baardharen trokken zich terug in het gezicht en er kwam een scherpe kaaklijn tevoorschijn, zijn ogen en de lachrimpels bleven hetzelfde, de haren op zijn hoofd werden korte zwarte stekels. “Ik heb mijn mijter thuis laten liggen,” zei hij.

“Pascal!”
“Ja.” Pascal zette zijn kerstmuts weer op en trok zijn jasje aan. Onmiddellijk veranderde hij weer in de Kerstman. “Ga je mee?”
Ik voelde mijn hoofd een op- en neergaande beweging maken. Ik was te verbaasd om nog een woord uit te brengen. Pascal zat op hetzelfde kantoor als ik en was met Sinterklaas en Kerst altijd een beetje knorrig. Nu snapte ik waarom. Ik pakte mijn jas, deed mijn schoenen aan en liep achter hem aan naar buiten. Ik keek toe hoe hij Rudolf toesprak als een oude bekende.

Dit was geen vreemde man. Ik kon rustig met hem mee naar de Noordpool.

 

Foto door hue12 photography via Unsplash

Serienavigatie<< Licht in de duisternis – CindyEen kerstverhaal – Carel >>

Pin It on Pinterest