fbpx

treurwilg, de boom die voor mij gelijk staat aan depressief zijnLaat me alvast een ding duidelijk maken: als ik met dit blog iets niet wil, is het meeliften op de ellende van een ander, maar het heeft me de hele week bezig gehouden. Joost Zwagerman, de dood en depressief zijn. En daar wil ik uit persoonlijke ervaring iets over kwijt.

Die avond zag ik de melding in mijn telefoon over Zwagerman en vervolgens de berichten op Twitter. Over hoe het moet voelen om depressief te zijn. Ik zag verschillende vergelijkingen voorbij komen. Sommigen sneden hout, anderen raakten kant noch wal. Tenminste, voor mij, want depressief zijn is voor iedereen anders. Ik kan het alleen maar hebben over hoe het voor mij voelde om depressief te zijn. Voelde. Want ik ben er, op een enkel terugvalletje na, inmiddels weer uit gekomen. Gelukkig. Maar een melding zoals deze brengt me nog terug bij hoe het voelde.

Vroeger zei ik nog wel eens: “Ik voel me depri.” Maar depressief zijn is niet zomaar je een beetje depri voelen. Je bent dan een beetje down, een beetje verdrietig, maar daar kom je weer uit, dat is even een gevoel van algehele blegh, je slaapt een nachtje en als het goed is ben je de volgende dag weer blij.

Je gevoel gaat met pieken en dalen

Je bent boos, blij of bedroefd. Dat zijn de drie hoofdemoties. Alle andere gevoelens zijn een combinatie van twee van die drie b’s of een extreme of juist afgezwakte versie van een van de drie. Zo heb ik het tenminste begrepen.

Stel je nu eens voor dat je gevoel een rechte lijn is en dat je emoties daar als een soort bergen en dalen doorheen slingeren. Normaal gesproken kunnen je emoties boven nul zijn en onder nul. Als je boos of bedroefd bent, dan zijn je gevoelens onder nul, onder de lijn, als je blij bent erboven.

Voor ieder gevoel kun je weer een aparte lijn maken

Bijvoorbeeld voor blij. Je kunt blij zijn, vrolijk, euforisch. Stel je voor dat je blij bent, dan is je lijn recht. Als je vrolijk bent komt hij van de nullijn af (naar boven) en bij euforisch zit je op de piek van je lijn. Na de euforie ga je weer naar beneden en kom je terug bij vrolijk en blij.

Voor bedroefd zijn en boosheid geldt hetzelfde: bedroefd/boos – verdrietig/kwaad – huilen/woedend. Dat zijn voor mij de trappen van deze twee emoties. Je kunt het ook zien als overtreffende trappen.

Depressief zijn, is onder nul zijn en daar blijven

Als je depressief bent, kom je eigenlijk niet meer boven de nullijn uit. Je kunt nog wel blij of vrolijk zijn, maar euforie bereik je eigenlijk nauwelijks meer. Je basisgevoel ligt sowieso al onder de nullijn van je gevoelsgrafiek, er bovenuit komen is het allermoeilijkste wat er is.

Dat betekent dat je in gezelschap best blij of vrolijk kunt zijn, maar uiteindelijk voel je je toch buiten het gezelschap staan, omdat hun blij op jou overdreven kan overkomen.

Vaak is dat de reden dat mensen altijd schrikken als iemand zelfmoord pleegt (of depressief bleek te zijn). Ze hadden het niet verwacht, ze hadden het niet opgemerkt. Iemand die depressief is, loopt er over het algemeen niet mee te koop. Die houdt zich groot en die geeft geen signalen af. Tenminste, dat deed ik niet.

Wat depressief zijn voor mij betekende

Voor mij betekende het dat ik me overal buiten voelde staan. Ik durfde nooit als eerste weg te gaan van een verjaardag of andere bijeenkomst: doodsbang dat men over mij zou praten en dat ik saai zou zijn als ik als eerste weg zou gaan. Het gevoel van: ik mag er niet bij horen, ze vinden me niet aardig genoeg.

Voor mij betekende het dat ik iedere mislukking of afwijzing op mezelf betrok: zie je wel, ik kan het niet, ik ben niet goed genoeg om iets te doen dat iedere sukkel kan. Ik ben nog minder dan een sukkel. Sommige mensen zouden dit een minderwaardigheidscomplex kunnen noemen. Dat is het ook. Gecombineerd met depressie is dit gevaarlijk. Ik leg zo uit waarom.

Ik werd een huismus, ging eigenlijk alleen nog maar naar buiten als het moest voor werk en boodschappen. Bang om aangekeken te worden, bang om aangesproken te worden. Naar buiten: doodeng. Ik deed niets meer, ik ondernam niets meer. Ik sprak werkgevers niet meer tegen, bang om ontslagen te worden of geen verlenging te krijgen, wat uiteindelijk ook gebeurde, omdat ik (een van de redenen) te weinig initiatief toonde.

Wat ik deed, was een muur opbouwen om me heen

Sterker nog: ik bouwde niet alleen een hele muur, ik bouwde een complete bunker met verdedigingswerken, afweergeschut en soldaten op de muren die wachtliepen. Ik sloot mezelf op in de hoogste toren en wachtte op redding door mijn prins op het witte paard. En als dat witte paard niet lukte, mocht het ook een muilezel zijn. Het hoefde zelfs geen prins te zijn: de afwashulp was ook wel goed genoeg voor mij. Ik kreeg een zuipende schuldenmaker. Maar dat terzijde.

Het gevaar van een minderwaardigheidscomplex, gecombineerd met een depressie is de kans op suïcidale gedachten:

Wat doe ik hier? Waarom ben ik er en wat voor nut heb ik? Ik ben het niet waard om van te houden, dus ik kan maar beter dood zijn. Ik kan mijn auto maar beter met 120 km/u in de vangrail parkeren, dan ben ik niemand meer tot last.

Mijn morbide humor redde mij:

Het zal mijn geluk wel zijn dat ik mezelf dan alleen maar een dwarslaesie bezorg. Dan ben ik juist nog meer tot last. Dan kan ik maar beter blijven.

En dan stuurde ik mijn auto weer rustig verder richting huis. Waar ik mezelf opsloot.

Het gevoel van depressief zijn was voor mij niet het gevoel dat ik met mijn rug tegen de muur stond. Het was voor mij het gevoel dat ik nergens bij hoorde, niet gezien werd en tegelijkertijd doodsbang was om gezien te worden. Het gevoel dat ik iedereen tot last was, geen enkele nuttige bijdrage had in de wereld en maar beter kon vertrekken.

Mijn vorm van depressie werd omschreven als smiling depression: ik hang met mijn vingers aan de rand van de afgrond, mijn benen bungelen al boven de grond beneden in de verte en zo af en toe trek ik mijzelf op en kijk over de rand, glimlach naar de mensen die naar me kijken. Het gaat goed hoor, zegt die glimlach. Dan zak ik weer terug met mijn koppie onder de rand, omdat het te zwaar wordt om te glimlachen en me goed voor te doen. Thuis is het een grote doffe ellende, maar ik huil er niet eens om. Dat mag niet van mezelf. Als ik huil, dan houdt het nooit meer op, dacht ik.

Dit gevoel knaagde de afgelopen week aan me: hoe moet Zwagerman zich gevoeld hebben? Was het voor hem net als voor mij of zag zijn depressief zijn er heel anders uit?

En daarom schrijf ik het op: voor iedereen is depressief zijn anders. Voor iedereen is er een andere manier om eruit te komen. Voor sommige mensen helaas niet.

De hulp die geboden moet worden, is voor iedereen anders. Wat zeker niet werkt, is:

Ah, joh, ga wat leuks doen, kom mee het park in, ga wandelen.

Leuk dat je even een half uurtje voor me vrijmaakt, maar daarna stort ik weer in het zwarte gat, de verdedigingsbunker, de put, het ravijn, de afgrond en jij gaat verder met je leven. Depressief zijn gaat wat mij betreft alleen over met professionele hulp en anti-depressiva om je basisgevoel op die nullijn te krijgen. Je moet er alleen wel om durven vragen. En daar ligt het probleem: hulp vragen als je niemand tot last wil zijn, is per definitie een paradox.

Ben je depressief of denk je dat iemand in je omgeving depressief is? Vraag alsjeblieft hulp. Ik heb geleerd dat iedereen het waard is om te leven en dat het leven het waard is.

Nog een linkje: hoe ga je om met iemand met depressie. 10 tips.

 

Pin It on Pinterest