fbpx
Dit is deel 24 van 51 in de serie Spreekwoorden 16

Ik ben best wel stoer. Een gaatje bij de tandarts laten vullen doe ik zonder verdoving. Ook een tatoeage laten zetten, hoog op mijn rug en over mijn ruggengraat vind ik geen probleem. Stiekem wel een beetje lekker ook eigenlijk. Ontspannend zelfs. Maar soms ga ik ook door de grond.

Zoals gisteren. Heel stoer zei ik tegen de kaakchirurg dat ik eigenlijk alleen maar bang was voor de verdoving. Of eigenlijk: de naald die de verdoving toebrengt. Ik haat naalden. Echt, heel erg. Maar dan ook echt heel erg. “En,” zei ik nog stoerder, “de rest interesseert me niet zo.”

“Oké, zei de kaakchirurg en ze pakte DE NAALD

Ik sloot mijn ogen en voelde het prikken van dat verdomde ding in mijn mond, in de kaakspier en in de zijkant van mijn wang.

“Ontspan,” dacht ik en ik concentreerde me op mijn ademhaling. Adem in, adem uit. Via mijn buik. Adem in, adem uit. “Raak vooral niet in paniek; het ergste heb je nu gehad.” Adem in, adem uit.

De kaakchirurg kwam terug en vroeg of ik nog iets voelde. Ik antwoordde dat ik op mijn tong kon bijten zonder het te voelen. Heel stoer. “Doe dat maar niet,” zei de chirurg met een lach. En ook assistente Floor moest lachen.

En toen zag ik DE BOOR. De boor die een gat in mijn kaak ging boren om daar de schroef in te plaatsen. “Wil je een tien of een acht?” vroeg de andere assistente. “Zij kan wel een tien hebben,” antwoordde de chirurg.

En ik verloor de vaste grond onder mijn voeten

In mijn fantasie zag ik een boor van tenminste tien centimeter dik voor me die een gat in mijn kaak ging boren. Ik had mijn ogen dicht en mijn gedachten gingen met mij aan de haal. De monsterboor kwam akelig langzaam op mij af, zodat ik de botte punt van het apparaat goed kon zien. Aan de zijkanten van de boor zaten nog restjes bot en bloed.

Ik opende even mijn ogen en de assistente met het afzuigslangetje kwam net naar mijn mond. Het slangetje zag rood van mijn bloed. Ik wist even niet wat beter was: ogen dicht houden of openlaten. Want zo stoer als ik ben, bloed is ook niet mijn favoriete schouwspel.

Ik sloot mijn ogen: bloed is erger dan mijn fantasie. Hoewel, de monsterboor ging verder waar hij gebleven was. Mijn ademhaling zat hoog, dus ik zorgde ervoor dat die weer omlaag ging. Ondertussen voelde ik de echte boor in mijn kaak rondtollen. Het deed geen pijn, maar het gehoor van ijzer op bot is een dingetje.

Daarna probeerde ze de schroef erin te draaien. Het lukte niet: “Je bot is zo goed en sterk dat de schroef er niet in wil. Ik heb te strak geboord.” Ze moest tot twee keer toe verder boren. En toen ging de schroef er wel in. Daarna het dopje erop en afhechten met naald (ja alweer) en draad.

Ik was klaar, stond op en de grond draaide even. Maar ik had al snel weer vaste grond onder mijn voeten. Met een half verdoofd gezicht reed ik naar huis om te koelen tegen de zwelling. Gelukkig sta ik op de meeste momenten toch echt met mijn beide benen op de grond. Behalve bij de kaakchirurg, dan ga ik soms tegen de grond.

Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.

Serienavigatie<< Spreekwoorden 23: papSpreekwoorden 25: spek >>

Pin It on Pinterest