fbpx

Verwijswoorden zijn woorden die verwijzen naar een eerder genoemd woord in de tekst of in de zin. Het is ontzettend belangrijk voor het begrip van de tekst dat je verwijswoorden kloppen. Door een verkeerd verwijswoord te gebruiken, zou bijvoorbeeld het verschil kunnen betekenen tussen iemand beledigen of complimenteren. Gelukkig zijn er simpele regeltjes om je te helpen kiezen voor het juiste verwijswoord.

Hoe gebruik je verwijswoorden?

Je gebruikt verwijswoorden in de lopende tekst. Dat wil zeggen: binnen een alinea of zin. Verwijswoorden gebruiken om te verwijzen naar de titel of over een witregel heen is uit den boze. Je zorgt er dan voor dat je je lezers in verwarring brengt. En dat is wel het laatste wat je wil!

Verwijzen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

  • Je verwijst naar mannelijke zelfstandige naamwoorden met hij of zijn;
  • Je verwijst naar vrouwelijke zelfstandige naamwoorden met zij of haar;
  • Je verwijst naar onzijdige zelfstandige naamwoorden met het of zijn.

Nu hoor ik je al denken: hoe weet ik nou of een woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is? Goede vraag. Het Frans en het Duits zijn makkelijk: daar heb je een duidelijk onderscheid door le en la en door der, die en das. Maar het Nederlands heeft alleen de lidwoorden het en de. We kunnen in ieder geval onderscheiden tussen mannelijk/vrouwelijk en onzijdig. Voor elk woord waarbij je het woord het als lidwoord kunt gebruiken, heb je te maken met een onzijdig woord. De andere woorden zijn mannelijk of vrouwelijk. Maar hoe kun je daar nou in onderscheiden? Daar zijn in ieder geval een paar handvatten voor:

  • Vrouwelijke woorden eindigen vaak op -heid, -ing, -nis, -schap, -de, -te, -ij, -ie, -iek, -ica, -theek, -teit, -tuur, -ture, -suur, -sure, -ide of -ode.
  • Concrete zelfstandige naamwoorden, dingen die je vast kunt pakken, zijn vaak mannelijk.
  • Bij woorden die onzijdig zijn maar duidelijk een geslacht hebben, gaat dat voor: het meisje pakte haar boek.

Dan nog een paar hulpjes:

  • namen van landen en steden zijn onzijdig;
  • het persoonlijk voornaamwoord het kan verwijzen naar:
    • een voorafgaande zin: Jullie hebben je goed gedragen; ik vond het indrukwekkend.
    • een zin die volgt: Het irriteert me, dat jullie altijd te laat zijn.
  • Als je twijfelt, gebruik dan een woordenboek.

Aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden zijn woorden die iets aanwijzen (duh). Je kunt daar ook weer onderscheid maken tussen de-woorden en het-woorden, ofwel mannelijk/vrouwelijk en onzijdig. Voor aanwijzende voornaamwoorden geldt:

  • De-woorden krijgen deze of die: Die man loopt weg voor zijn verantwoordelijkheden.
    • Je gebruikt die voor dingen die ver weg zijn en deze voor dingen die dichtbij zijn.
  • Voor het-woorden gebruik je dit of dat: Dit hondje is echt zo’n schatje.
    • Dit is weer voor dichtbij en dat voor veraf.

Betrekkelijke voornaamwoorden zijn woorden die betrekking op iets hebben. Het voornaamwoord verbindt een hoofdzin met een bijzin met elkaar. Betrekkelijke voornaamwoorden zijn onder meer: dat, wat, die, wie, welk, welke, hetwelk en hetgeen. Ook hier is weer het onderscheid te maken tussen mannelijke/vrouwelijke woorden en onzijdige woorden:

  • Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen als betrekkelijk voornaamwoord die: De man die een bekeuring kreeg, werd boos.
  • Onzijdige woorden krijgen dat: Het meisje dat daar loopt. Let op dat hier echt het geslacht van het woord telt en niet het biologische geslacht.

Er is ook nog een verschil tussen het gebruik van wat en dat als betrekkelijk voornaamwoord. Het betrekkelijk voornaamwoord dat verwijst altijd naar een het-woord in een zin: Ik heb een boek gekregen dat ik leuk vind.

Het betrekkelijk voornaamwoord wat gebruik je:

  • als je wil verwijzen naar de voorgaande zin: Ik heb een boek gekregen, wat ik leuk vind. Er is een subtiel verschil met de zin hierboven. Bij de eerste zin vind je het boek leuk, bij de tweede zin vind je het leuk dat je het boek gekregen hebt.
  • als je wil verwijzen naar iets onbepaalds, bijvoorbeeld iets of alles: Dat is alles, wat ik weet.
  • bij de overtreffende trap zonder dat er een zelfstandig naamwoord volgt. Kijk maar eens naar de volgende zinnen:
    • Dat is het mooiste wat ik ooit gezien heb
    • Dat is het knapste meisje dat ik ooit gezien heb

[terzijde] Je kunt woorden als hetgeen, hetwelk en welk wel gebruiken als verwijswoorden, maar doe dit alleen als je heel stijfjes of formeel wil overkomen. Ja, dit is mijn mening, maar ik vind het niet lekker lezen: De man welke een bekeuring kreeg, werd boos. Ik vind het te ouderwets, maar nogmaals, dit is mijn mening. [/terzijde]

Bijwoorden als verwijswoorden

Voor bijwoorden moet je denken aan hierover, waarover, hierop, waarmee, waaraan, hierop, waarvoor, daaraan, erover. Enzovoort. Let wel weer op: de voorgaande bijwoorden gebruik je alleen als je verwijst naar dieren of dingen. Voor mensen gebruik je met wie, aan wie, voor wie enzovoort.

geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!