fbpx

De grondlegger van de fonologie is Ferdinand de SaussureFonologie is de leer van de klanken, de grondlegger hiervan is Ferdinand de Saussure. De fonologie leert je niet hoe je klanken moet uitspreken, maar hoe ze gemaakt worden. Het gaat om de opbouw van een klank: waar wordt de klank gemaakt, is een van de pijlers van de fonologie.

Ik moet het eigenlijk iets preciezer uitleggen. Fonologie is de studie van de kleinst denkbare, betekenisloze, onderdelen van een taal. Omdat inmiddels ook gebarentaal wordt bestudeerd is klankleer niet meer ladingdekkend; fonologie is meer en meer de vormleer geworden van een taal. Een van de vragen die de fonologie probeert te beantwoorden is de vraag waarom we harde met een zachte d uitspreken en hard met een t-klank. Dit heeft te maken met de plaats van onze tong in onze mond en de volgende letter van een woord. We noemen dit met een goed Duits woord Auslautverhärtung ook wel verscherping in het Nederlands.

Toen ik vroeger op de basisschool zat, moest ik mijn vingers op mijn keel leggen en het verschil voelen tussen de v en de f en de z en de s. Als jij dit doet, dan voel je bij de v en de z dat je keel trilt, bij de andere twee niet. We noemen de eerste twee letters stemhebbend, de tweede twee stemloos. Een van de conclusies die fonologen trekken bij het zien van de verschillende enkelvoud-meervoud paren is dat een woord nooit op een stemhebbende medeklinker eindigt. Kijk maar:

  • huis – huizen
  • verf – verven
  • hond – honden

Je kunt zelfs het verschil een beetje voelen bij de t en de d. Het volgen van deze regel die we verscherping van de eindklank noemen, geeft ook aan waarom een Nederlander zoveel moeite heeft met het Engelse woord bed. Ons systeem spreekt het uit als ‘bet’, terwijl een Engelsman dan denkt dat je wil wedden.

Even een zijsprongetje: vroeger zei men dat men te bedde ging. Die tweede lettergreep is afgesleten, maar als je bedenkt dat we daar dus een stemhebbende klank hadden, dan is er aannemelijk te maken dat het Nederlands pas later de regel van de verscherping van de eindklank is gaan volgen.

De fonologie bestudeert fonemen

Zo noemen we de kleinst mogelijke onderdelen van een taal. Fonemen worden onderverdeeld in een aantal mogelijke manieren van uitspraak:

  • plofklanken,
  • wrijfklanken,
  • neusklanken,
  • vloeiklanken,
  • glijklanken

Plofklanken

Het Nederlands kent vijf plofklanken. De p (pas), t (tas), k (kat), b (bad) en d (dal). Hierbij maken we ook nog onderscheid tussen stemhebbend en stemloos: de b en de d zijn stemhebbend, de rest is stemloos. Een plofklank wordt zo genoemd omdat de lucht die bij het uitspreken van deze klanken bij de lippen even opgehouden wordt en vervolgens met een soort explosietje wordt losgelaten.

Wrijfklanken

De wrijfklanken zijn f (fles), v (val), s (sop), z (zet), ch (lach), g (gal), sj (sjaal) en zj (journaal). De f, s, ch en sj zijn stemloos, de overige weer stemhebbend. Deze klanken zijn wrijfklanken omdat er een soort wrijving in de mondholte ontstaat bij het vormen van de klank. De wrijving ontstaat omdat de mondholte nauwer wordt bij het uitspreken van de klanken.

Neusklanken

Dit zijn nasale klanken, klanken waarbij lucht door de neusholte naar buiten komt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ng (rang), m (man) en n (nam). De klanken hebben een ander onderscheid dan hiervoor. Namelijk op de plek waar ze worden uitgesproken:

  • labiaal: bij de lippen, de m in man
  • dentaal: bij de tanden, de n in nam
  • gutturaal: achterin de keel, de ng in rang

Vloeiklanken

Het Nederlands kent slechts twee vloeiklanken: de r (rol) en de l (lief). De lucht ontsnapt langs beide zijden van de tongpunt uit je mond.

Glijklanken

De j (jaar) en de w (waar) zijn glijklanken. De letter w is labiaal, de j meer dentaal uitgesproken.

Palataal, alveolair en uvulaar

Verder kunnen klanken palataal, met de tong tegen het verhemelte. Afhankelijk van de ruimte tussen de tong en het verhemelte, hebben we te maken met de ng (rang), ñ (señor), j (jaar), ch (lach) en sj (sjaal).

Alveolaire klanken worden uitgesproken met de tong tegen de tandkassen van de bovenkaak. Afhankelijk van de hoeveelheid lucht die wordt doorgelaten variëren deze klanken van d (dak), t (tak), r (rol) naar s (sis) en z (zet).

De uvulaire klanken zijn klanken die met de tong tegen de huig aan gemaakt worden. Bijvoorbeeld de huig-r in lor.

Ik noemde eerder ook al gutturaal, de klanken achterin de keel.

Je ziet dat een klank dus meerdere eigenschappen heeft. Zo noemen we een p dus een stemhebbende labiale plosief en een s een stemloze palatale fricatief (wrijfklank).

Het is een leuk spelletje om te kijken uit welke fonemen een medeklinker (want daar gaat het hier om) bestaat. Bedenk het eens voor de w, de ch en de d. Ik ben benieuwd waar je mee komt. En kun je nu ook bedenken wat er zo bijzonder is aan ’t Kofschip?

Volgende keer ga ik verder met de klinkers in de fonologie met bijzondere aandacht voor de letter e.

Serienavigatie<< Nederlandse taalkundeTaalkunde: de morfologie >>
geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!

Copied!