fbpx
Dit is deel 2 van 12 in de serie Schrijfmisverstanden

Het nagaan van voorkennis is niet nodigDit is deel twee in de serie schrijfmisverstanden. Vandaag het misverstand dat je niet hoeft na te gaan welke voorkennis de lezer al heeft. Vroeger schreef je opstellen voor je docent en later in het vervolgonderwijs voor docenten en nog later in het beroepsleven schrijf je voor je collega’s en andere vakbroeders. Het gevaar bestaat dat je alleen nog maar voor gelijkgestemden schrijft. Je weet wat zij ongeveer behoren te weten en je kunt op die kennis voortborduren.

Als een schrijver voor een nieuw publiek moet schrijven, bestaat het gevaar dat hij of zij de toon van de schrijfsels niet weet aan te passen aan het nieuwe gehoor. Het resultaat is dat je je nieuwe publiek van je vervreemd, als je überhaupt al geplaatst wordt.

Voorkennis

Dat doe je door vier vragen te stellen die je kunt samenvatten in vier werkwoorden: weten, willen, vinden, kunnen. Wat weten, willen, vinden en kunnen je lezers?

Wat weten je lezers?

De vragen die je moet stellen:

  • Wat weten de lezers van het onderwerp? Dit kun je onderzoeken door het publiek van het medium te bekijken. Wie lezen het blad? En dat linkt mooi door naar de tweede vraag bij deze voorkennis vraag;
  • Welke opleiding hebben de lezers. Het spreekt vanzelf dat je anders schrijft voor mensen met alleen lagere school dan voor mensen met een universitaire opleiding.

Wat willen je lezers?

De vragen die hierbij horen:

  • Wat willen ze lezen? Willen ze alleen feiten en hoofdlijnen of achtergronden en meningen? Lezers van de Privé willen andere informatie dan lezers van het NRC (over het algemeen)
  • Hoe willen de lezers aangesproken worden. Dit heeft te maken met de toon die je aanslaat. Natuurlijk gaat het ook om het gebruik van u of je.

Wat vinden je lezers?

Ook hier horen weer wat vragen bij:

  • Wat is de mening van de lezers ten opzichte van het onderwerp? Zijn ze positief of negatief, geïnteresseerd of niet? Belangrijk om te weten, want misschien moet je de lezers eerst overtuigen dat het onderwerp interessant of belangwekkend is.
  • Heeft het publiek vooroordelen tegenover het onderwerp of tegenover de schrijver? Als dat zo is, zul je eerst die vooroordelen moeten ontkrachten, voordat je zelf je verhaal kunt doen.

Wat kunnen je lezers?

Dit heeft ook weer te maken met wat je lezers weten.

  • Kunnen de lezers ingewikkelde schema’s lezen en lange teksten tot zich nemen? Dat heeft te maken met de concentratieboog en het opleidingsniveau van de lezer. Hier moet je dus ook weten wat je lezers weten.
  • Wat voor abstractieniveau kunnen lezers aan?

Je moet tegen mij bijvoorbeeld niet beginnen over de relativiteitstheorie en het Doppler-effect als ik vanmiddag nog het vermenigvuldigen van breuken verkeerd heb uitgelegd. Dat red ik dus niet qua abstractie.

Je mag tegen mij wel beginnen over boomstructuren in de syntaxis en morfologische woordvormingsprocedé’s. Dit zijn dingen waar ik dan weer niet mee moet aan komen bij een niet taalkundige.

Je ziet dat het heel belangrijk is om voorkennis te hebben van je lezerspubliek. Als je dat niet hebt, is de kans groot dat je de plank volledig misslaat in je artikel.

Serienavigatie<< Twaalf schrijfmisverstanden: de invalshoek komt vanzelfTwaalf schrijfmisverstanden: opdracht is opdracht >>

Pin It on Pinterest