fbpx

Dit is alweer de een na laatste taalblog over stijlfiguren. Volgende week zal ik nog wat bijzondere metaforen behandelen, waaronder synesthesie en personificatie. Maar dat is volgende week. Deze week zijn de litotes, de retorische vraag, het chiasme en de woordspeling aan de beurt. Zullen we beginnen?

Die laatste vraag was natuurlijk een retorische vraag

Een retorische vraag is een vraag waar je niet echt antwoord op verwacht. Het is eigenlijk meer een mededeling, maar dan in de vorm van een vraag. Stel nu dat je in je hoofd antwoord had gegeven (of misschien hardop), dan had ik je toch een beetje vreemd aangekeken. Er wordt namelijk vanuit gegaan dat je het met me eens bent. Of je nou wil of niet. Retorische vragen kunnen allerlei vormen aannemen. Een verzoek, zoals mijn vraag, maar ze kunnen ook spottend bedoeld zijn:

“Jij denkt zeker tienen te halen zonder iets te hoeven doen?” beet de docent hem toe.
Ben je op je achterhoofd gevallen?

Prachtige retorische vragen. Je komt ze vaak tegen in de politiek. Denk bijvoorbeeld aan Hitler in een van zijn speeches in 1939: Wollt ihr den totalen Krieg? Of iets onschuldiger: Geert Wilders tegen minister Vogelaar:

“Denkt de minister van Wonen, Wijken en Integratie echt dat ik geloof, dat ze achterstandswijken kan transformeren in trotse en sterke wijken met een likje verf?”

Update: op 18 februari 1943 tijdens zijn rede in het Berliner Sportpalast sprak dr. Joseph Goebbels ( Nazi Rijksminister van Propaganda) de retorische vraag uit over de volledige oorlog.

Het chiasme is een van mijn favoriete stijlfiguren

Twee bij elkaar horende zinnen die elkaars tegengestelde zijn. Lastige omschrijving, maar met wat voorbeelden wordt het wel duidelijker. Je vindt chiasmes vaak in de poëzie:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen
En slapend denk ik aan de dood…. ~J.C. Bloem, Verzamelde gedichten

Het chiasme komt van de Griekse letter CHI: onze hoofdletter X. Als je de X tussen bovenstaande dichtregels zet, dan zie je dat de pootjes van de X wijzen naar de woorden slapen en dood. Het is een omkering.

Ook in het dagelijkse taalgebruik is er een heel bekend chiasme:

Dames en heren,
X
Jongens en meisjes

Dames en meisjes worden aan elkaar gekoppeld en jongens en heren. Het hoeven dus niet precies dezelfde woorden te zijn, het mogen ook synoniemen zijn.

Zo creatief is ook de woordspeling

Een woordspeling is heel creatief met taal omgaan. Hoe creatief en hoe geslaagd de woordspeling is, is afhankelijk van de woordspeler.Vaak is de woordspeling dubbelzinnig in de zin dat ze een dubbele bodem hebben. Dat noemen we ambigu. Soms worden er nieuwe woorden gemaakt, zogenaamde neologismen, die ook duidelijk maken wat er bedoeld wordt. Woordspelingen zijn vaak humoristisch bedoeld. Een bekende woordspeling komt van Lucebert:

Pedagoochelaars

Dit is een nieuw woord en gaat over opvoeders. Een andere woordspeling in een zinnetje dat ook vaak gebruikt wordt om de woordspeling duidelijk te maken:

In een gezelschap van rokers is de niet-roker de sigaar.

Het gaat hier om het woord sigaar, hier wordt de dubbele bodem gebruikt: je had ook kunnen zeggen dat hij de lul was, maar sigaar in combinatie met rokers werkt humoristischer en daar gaat het over.

Een woordspeling wordt ook vaak gebruikt in reclameslogans:

HEMA: de normaalste zaak van de wereld
AH: ’s lands grootste kruidenier blijft op de kleintjes letten

Stiekem zit in die van de Appie ook een paradox. Zie je hem?

Of in stripverhalen:

Asterix, Obelix, Visstix, Hokkistix, Appendix, Idefix
Uit Suske en Wiske: ali  ben salami, Arrivix, Carmencita Falasol, Graaf Kalasj Nikov

Herken je ze?

Als laatste de litotes, een lastige.

Deze vind ik zelf ook nog moeilijk, zowel om te herkennen als om uit te leggen, maar ik ga een poging wagen. Je spreekt het woord uit met de klemtoon op de eerste lettergreep: -to-tès. De litotes is een vorm van het understatement. Hij verschijnt vaak in de vorm van een dubbele ontkenning:

Dat is geen onaardige vrouw

Er wordt bedoeld dat die vrouw juist heel aardig is. Je ontkent het tegenovergestelde in dit geval. Zij is namelijk niet onaardig. Uit de wiskunde weten we dat min maal min plus is, dus ze is aardig.

Let er wel op dat niet iedere zin met een ontkenning een litotes is: Gisteren regende het niet. Je wil alleen maar zeggen dat er geen neerslag was. Pas op het moment dat je het tegendeel wil ontkennen heb je te maken met een litotes. Stel dat je met vrienden spreekt over het optrekje van Jan des Bouvries, dan kun je zeggen:

Litotes: Hij woont daar niet onaardig
Understatement: Hij woont daar leuk

Als Jan nu failliet is gegaan en  in een nog net niet onbewoonbaar verklaard krot woont, dan is de eerste zin geen litotes meer, maar een uitspraak over de woning zonder bijbedoeling. De tweede zin is dan geen understatement meer maar een spottende, waarschijnlijk sarcastische, opmerking. Met andere woorden: let goed op de bedoeling van de spreker. Je hebt dus wat achtergrondkennis nodig van degene waarover gesproken wordt.

Volgende week dus voor de laatste keer stijlfiguren

Er komt dan een gratis download met alle stijlfiguren op een blaadje. Als je nog suggesties hebt of dingen wil weten over stijlfiguren, dan kun je via het feedback formulier je opmerkingen sturen. Over twee weken wil ik over dichtvormen gaan bloggen. Heb je daar vragen over, dan hoor ik dat ook graag. Op het programma staat dan de haiku, elfje, engeltje en andere dichtvormen die ik in een aantal blogposts zal behandelen.

Jammer, maar helaas. Je mag het niet kopiëren, iets met copyright enzo.
geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!

Copied!