fbpx

Van Irene kreeg ik de volgende vraag:

Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd en wanneer de verleden tijd in teksten?

Een leuke en interessante vraag, waarop ik een antwoord ga proberen te geven, want zo eenduidig is het antwoord niet.

De bekendste verleden tijd in teksten, kent iedereen: er was eens, lang lang geleden…. Sprookjes. Die worden altijd in de verleden tijd geschreven. Je krijgt dan een beetje het gevoel dat je teruggaat naar een periode die niemand zich meer kan herinneren, een tijd waarin alles nog makkelijk was: de prinses kreeg haar prins en de slechterikken kregen altijd het deksel op de neus.

Een simpel antwoord kan ik ook nog wel geven: als het verhaal of verslag dat je schrijft over een gebeurtenis in het verleden heeft plaatsgevonden, gebruik je de verleden tijd. De tegenwoordige tijd gebruik je als je iemand iets laat zeggen of als iets in het nu plaatsvindt.

Gelukkig ligt het iets genuanceerder, dan wordt mijn blog namelijk ook iets langer.

De verleden tijd heeft een aantal functies

  1. Het geeft een niet-werkelijkheid aan (Jij was de vader en ik de moeder);
  2. Voor het voorzichtig beleefd zijn (Wat was de naam ook alweer?);
  3. Het uiten van een wens (Zei hij nou maar eens dat hij van me hield);
  4. Een bevel dat als een verzoek moet klinken (Ik had graag gezien dat je je sokken opruimde!)

En het kan nog genuanceerder: we hebben niet alleen een onderscheid tussen tegenwoordige en verleden tijd, er is ook nog een onderscheid tussen onvoltooid verleden tijd (ovt) en voltooid verleden tijd (vvt). De verschillen zijn echter wel heel subtiel.

De onvoltooid verleden tijd is goed om een verhaal aan te duiden. Denk aan Er was eens. De lezer verwacht hier namelijk een vervolg op. In de voltooid verleden tijd is er een feitelijke uiting gedaan: Ik heb daar gelopen. De mededeling is feitelijk en afgerond. De luisteraar verwacht niets meer.

Soms kan de ovt een proces aanduiden. Iets dat nog bezig was. De vvt doet een mededeling over het verleden. Vergelijk de volgende zinnen:

  1. Mijn ouders rookten
  2. Mijn ouders hebben gerookt

De eerste zin wijst een proces aan in het verleden. Misschien zijn ze nu gestopt, maar in het verleden rookten ze nog. De tweede zin zegt iets over het verleden.

Maar kijk nu eens naar dit voorbeeld. Hier zit nog een subtiel ander verschil. Misschien zie je het:

  1. V0rige maand rookte ik nog
  2. Vorige maand heb ik ook nog gerookt

Enig idee wat het verschil is? De eerste zin geeft aan dat ik vorige maand rookte, maar dat ik nu niet meer rook: er wordt gehint dat ik ben gestopt met roken. De tweede zin geeft aan dat het een eenmalige gebeurtenis was, een soort van ‘Oeps, foutje bedankt’, in dit geval.

De wisseling van de wacht

Er zijn drie redenen om van tijd te wisselen in een tekst:

  1. om een huidige situatie te onderscheiden van het verleden;
  2. om je verhaal levendiger te maken;
  3. om een observatie te onderscheiden van een interpretatie.

Bekijk de volgende voorbeelden van deze redenen:

  1. De koersval is sterker dan werd vermoed
  2. Ik liep naar huis en plotseling word ik overvallen
  3. In 50% van de gevallen was 1 + 1, 2. Het komt dus vaak voor dat 1 + 1 gelijk is aan 2.

In zin 3 is de observatie in de verleden tijd opgeschreven, de interpretatie staat in de tegenwoordige tijd.

De tegenwoordige tijd wordt dan in overige gevallen gebruikt. Volledigheidshalve wil ik er nog even op wijzen dat we de volgende mogelijkheden hebben in de tegenwoordige tijd:

  • onvoltooid tegenwoordige tijd: hij loopt naar huis
  • voltooid tegenwoordige tijd: hij is naar huis gelopen
  • onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd: hij zal naar huis lopen
  • voltooid tegenwoordige toekomende tijd: hij zal naar huis gelopen zijn

Voor de verleden tijd hebben we de volgende vormen:

  • onvoltooid verleden tijd: hij liep naar huis
  • voltooid verleden tijd: hij was naar huis gelopen
  • onvoltooid verleden toekomende tijd: hij zou naar huis lopen
  • voltooid verleden toekomende tijd: hij zou naar huis gelopen zijn

En dan zijn er nog twee vormen die nergens bij passen:

  • aantonende wijs: hij loopt
  • gebiedende wijs: loop!
  • aanvoegende wijs: men lope (de kookboekversie: men neme een snufje zout)

Ik houd wel van dit soort rijke variaties in onze taal. Wat jullie?

geen smoesjes meer, inspiratie vind je overal, teksten openen

Schrijf je in voor de wekelijkse inspiratiemail

Iedere week krijg je een mail met een schrijfopdracht die je inspiratie geeft om een kort verhaal te schrijven. Dit kun je dan publiceren op je blog, of lekker voor jezelf houden. Af en toe zal ik ook informatie sturen over schrijfcursussen en andere tekstgerelateerde zaken.

Je bent succesvol ingeschreven!