fbpx

Hoe vaak hoor je niet verzuchten: “Wie heeft dat nu weer verzonnen?” als er weer een woord op een andere manier geschreven moet worden dan wordt gedacht. Vaak gaat dat om woorden als electriciteit die dan ineens fout blijkt en met een k geschreven moet worden. Of omgekeerd. En waarom schrijven we niet biezonder zoals mijn historische taalkunde docent Cor van Bree placht te doen? Kortom, waarom schrijven we taal niet op zoals we het uitspreken?

Het lijkt me handig om eens een kort overzicht te geven van de Nederlandse spelling, zodat we beter begrijpen waarom we woorden schrijven zoals we ze schrijven.

De geschiedenis van de Nederlandse spelling

Tot het begin van de negentiende eeuw schreef iedereen de taal op zoals hij (in dit geval veelal hij) hem uitsprak. Hooft schreef vaader en schaap, terwijl Vondel het hield op schaep en vader. Tot zover weinig problemen: deze vormen lijken tenminste nog op elkaar. Maar het Nederlands bestond toen ter tijd uit verschillende dialecten. Er was nog geen standaard Nederlands zoals nu. Het Limburgs en het Gronings leken totaal niet op elkaar. Dat gaf dan ook verschillen in het opschrijven van woorden.

Na de Franse revolutie bedacht men dat een nationale staat (inmiddels was Nederland een koninkrijk geworden) ook wel een gestandaardiseerde taal mocht hebben. De hoogleraar Nederlands Matthijs Siegenbeek werd verzocht de Nederlandse spelling te stroomlijnen en er één standaardverhaal van te maken. In 1804 deed Siegenbeek een voorstel: blaauwkagchel en koffij. Er was veel weerstand tegen deze spelling, maar hij werd toch ingevoerd. Voornamelijk omdat er ook bij de woordenboekenmakers behoefte was aan een spelling. En waar plaats je het woord drayen en moet je daarbij ook verwijzen naar draeijendraijendraeijendraeyen en draeyen? En moet je de andere versies ook opnemen op de juiste plekken? Dan wordt het woordenboek onwerkbaar, want veel te dik.

De spelling van 1863 is de basis van onze spelling

In 1863 werkten De Vries en Te Winkel aan een woordenboek dat pas in 1998 voltooid is: het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal waarin alle woorden vanaf 1500 beschreven zijn. Dit zijn in totaal zo’n 350.000 tot 400.000 woorden. Het WNT bestaat dan ook uit 46 delen.

Omdat de heren daarvoor een systeem nodig hadden, ontwikkelden zij een spellingssysteem dat nu nog de basis is van onze spelling. Deze spelling hield zoveel mogelijk rekening met de historische spellingswijze. De Vries en Te Winkel hielden bijvoorbeeld wassen (groeien) naast wasschen (reinigen). Ook spraken zij zich uit voor kooper (iemand die iets koopt) naast koper (het metaal). Deze spelling werd snel geaccepteerd en zo werd de overgrootoma van onze huidige spelling geboren.

‘We gaan met de trem, dat is logies’

Nederland zou Nederland niet zijn als langzaamaan de kritiek op de spelling van 1863 begon te groeien. Zo rond 1890 begon deze aan te zwellen en vooral het onderwijs maakte zich druk om de spelling. Er werden acties gevoerd voor spellingsvereenvoudiging onder leiding van Kollewijn, een spellingsdeskundige. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren er veertig hoogleraren Nederlands en vijfhonderd leraren verenigd in de spellingsbeweging. Ook hier zien we dat het purisme hoogtij vierde, want de tegenstanders vonden deze nieuwerwetse vormen bedenkelijk.

Het duurde even, maar in de jaren dertig bevestigde de Nederlandse regering dat een deel van de voorstellen zou worden overgenomen. In deze eerste ronde werd bosch bosbeenen werd benen en rooken schreef men voortaan als roken. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden woorden als alphabet vereenvoudigd naar alfabet.

Een voorkeur voor spelling

In 1947 werden er voorstellen geschreven over het beroemde bessesap en bessenstruik verhaal. De tussen-n werd geregeld. Ook kon de letter k geen goed meer doen.
De afkeer van die Duitse letter werd vastgelegd en we schreven vanaf toen de woorden als insectproductfunctie en electriciteit.

De Belgen waren het daar niet mee eens: zij hadden een afkeer van de Frans aandoende c. Zij schreven liever elektriciteitfunktieprodukt en insekt. Zo kon je als schrijver van het Nederlands dus ook kiezen tussen compromis en kompromiskwantiteit en quantiteit en fotocopie en fotokopie. De voorkeursspelling was geboren: een vorm heeft de voorkeur, de andere versie is toegestaan. Het was alleen niet helemaal c/konsequ/kwent: zo was fotocopie de voorkeur en fotokopie was toegestaan. Echter: kopie werd voorkeursspelling en copie was daarbij toegestaan.

De spelling van 1863 had een dochtertje gekregen. Ze noemden haar de spelling-Marchant naar de minister die haar had verwekt.

Natuurlijk kwam er nieuwe kritiek

In 1969 presenteerde de commissie-Pée/Wesselings een nieuwe versie, waarbij leenwoorden zoals yoghurt en synthese sterk vereenvoudigd werden. Zij stelden voor deze woorden als jochert en sinteze te schrijven. Ook woorden als nivo en sentimeter werden voorgesteld. Ook deed de commissie voorstellen voor vereenvoudiging van de werkwoordspelling: hij word en hij prate waren enkele van de voorstellen.

De spellingscommissie haalde bakzeil: de voorstellen kregen teveel weerstand vanuit de maatschappij.

In 1980 ontstond de Nederlandse Taalunie: België en Nederland spraken af gezamenlijk de Nederlandse spelling te regelen. De commissie-Geerts ging in 1990 aan het werk. Voor de tussen-n werd een logischere regeling ontworpen, ook voor leenwoorden werden makkelijkere versies ontworpen: ze kwamen met voorstellen als doeaneginekoloog en sjokola. Ook deze voorstellen haalden het niet. Commissie nummer twee faalde jammerlijk.

De huidige spelling

In 1994 werd een nieuw spellingsbesluit genomen. De voorkeursspelling werd de enige officiële spelling en de toegestane spelling verdween in de prullenbak. Fotocopie werd fotokopie, produkt werd product en de ae in praeses werd preses (hier ben ik het nog steeds niet mee eens). De tussen-n regeling werd aangepast maar er werden uitzonderingen ingevoerd zoals bereklauw en paardebloem en hartedief. Anders zou het beeld dat mensen hadden van het woord niet meer kloppen. In 1995 werden de nieuwe Leidraad en het nieuwe Groene Boekje gepubliceerd. De moeder van onze spelling was geboren.

Gelukkig mocht ik in 1996 nog eindexamen doen volgens de oude spellingsregeling.

Een van de belangrijkste kritieken op de spelling van 1994 was het onder meer het woord pannenkoek. Maar ook de zielenpiet kreeg ervan langs. De lijst was een aaneenschakeling van fouten en bizarre uitzonderingen zoals beukennootje en apenootje: wel een tussen-n in de eerste, maar niet bij de tweede. Vele errata later, werd er volgens de regels van het ministerie in 2005 een nieuwe Woordenlijst uitgegeven. Bij deze herziening werden flink wat fouten hersteld. En ook de regeling voor de tussen-n werd een beetje aangepast: plantennamen met een dier in de samenstelling kregen geen tussen-n meer. Uiteindelijk zijn er ruim 2000 woorden aangepast in de versie van 2005.

Helaas zijn er ook weer wat suffe dingetjes ingeslopen. Het verschil tussen een appel (de vrucht) en een appel (een beroep doen op iemand) is verdwenen. Voorheen schreven we de laatste nog met een è.

Het nieuwe Groene boekje

In oktober 2015 komt het nieuwe Groene boekje uit. Het wordt gepresenteerd tijdens de week van het Nederlands van 10 tot en met 17 oktober. Ik ben benieuwd welke veranderingen hierin te vinden zijn.

Kortom

Onze Nederlandse spelling is gebaseerd op afspraken en compromissen van commissies van wijze, grijze mannen. De enige reden waarom de spelling is zoals die is, is dat we een systeem van afspraken hebben gemaakt met elkaar. Zo kunnen we elkaar begrijpen van Leeuwarden tot Oostende en van Delfzijl tot Hasselt.

De reden dat de spelling soms onlogisch is, is omdat er rekening gehouden moet worden met Nederlandse en Vlaamse gevoeligheden en dat leidt soms tot frustrerende spellingen zoals de panne(n)koek en mijn persoonlijke frustraties met praeses (preses) en phoenix (feniks).

Pin It on Pinterest